Marge links

Rogier de Jong

Marge rechts
Home
Publ.
Over
Media
Podium
Blog


Poëzie



Wim van de Wege: Nature Area Het Zwin 1 (olieverf)



Zwollenaar aan het Zwin

Het is niet ongewoon om in rechte
lijnen te reizen. Je pakt de trein
laadt je fiets uit en volgt je

spoor naar het zuiden. Voor je
het weet sta je op oude aarde
door mensen gemaakt en toch

lang geleden. Hier liep de draad
dood daar is de verzande rivier.
De schepen zijn omgevallen op

graslanden de kranen van Zeebrugge
zijn wazig geverfd. Reiziger, stap nu
maar af. Je gaat niet meer terug.

(Uit Seinpost)




Hoe zeggen we

Hoe zeggen we tegen een zee-egel
dat hij aan land moet komen
om verder te evolueren?

Hoe vertellen we een warhoofd dat
het zijn wanen het beste in een
landschapstuin kan laten ontsporen?

Hoe vertrouwen we een lichtgeraakte
organist toe dat zijn spel de kerk
overdondert alleen omdat hij

slechtgehumeurd is? Hoe laten
we een populier weten dat hij
na twintig jaar omvalt?

Misschien moeten we het geheim
bewaren. Het idee vrijlaten.
De ladders en touwen verbranden.

(Uit Seinpost)









Jan Verschueren: Luchtig evenwicht



Sprong II

Dit is een sprong die er mag
zijn. Een sprong wel te
verstaan – geen salto mortale.

Eén die zijn lancering kan navertellen,
een boemerang, liefdevol in
een potig pelsdier geborgen.

Zie hem gaan in zijn vlucht, hij
wiegt door het luchtruim als
een monoliet van Kubrick, hij

zweeft als een ei. Komt uit zijn
‘kopter, tikt de schaal kapot.
Landt op zijn stelten. Zeer elegant.

(Uit Seinpost)




Religie

Eerst was er de zee. Toen kwam het land
en het land viel als een steen in het water
– heiland gedoopt. Daarna groeven we een

tunnel zodat we de hel konden insluiten.
Godsdienst komt uit de woestijn: zand
zaait een land van belofte. Eerst was er

de zee en toen kwam het land. En
het land zoog de zee op en werd
een spons een tabernakel een tempel.

(Uit Seinpost)







De tempel

Laatst stond ik voor mijn
huis een kwast uit te slaan.
Dag meneer pastoor
zei een voorbijganger.

Daarna was de verfroller
aan de beurt. Sta je
verbaasd naar een
gebedsmolen te kijken.

En toen ik zaaglijnen
trok op een plank vond
ik mijn potlood verdacht op
een torenspits lijken.

De kleren maken de man en
de handelingen de tempel.
Ik moet aan mijn vader en
zijn vrijmetselarij denken.

(Uit Mijn pantheon)








In het land van de farao’s

Laten we afspreken diepzinnig
te zwijgen. Er staat niet wat er
staat omdat we ongekend
willen zijn. Ik leg mijn stem in

een crypte. Ondertussen bouw jij
een muur. We mompelen wat af
we willen alleen gehoord worden

door de goede verstaander die ons
vereert omdat het weer gelukt is
onszelf te begraven in de
tomben van het oude Egypte.

(Uit Matige mensen)






De fenomenologie van een rolstoel

Beleef de rolstoel. Een
ijzeren zitbed met stickers
en ongelijksoortige wielen:

een vélocipède voor de
pechvogel – je probeert er
het beste van te maken maar

kent je plaats onder de zon.
Soms vermoed je dat je
zult opstaan en wandelen

want de wanhoop mag zich niet
uitzaaien, vandaag gaan we
lekker uitwaaien, eropuit met de

rolstoel. Achterwaarts van de
stoepranden af en niet over de
tenen van gelukvogels rijden.

(Uit Memento, Liverse, 2019)








Een koninkrijk en een paard

De waanzin is een gewiekste verkoper.
Ze smeert je een kreupel molenpaard aan.
Een manke knol die hinkend door je
doorluchtige kroondomein gaat.

Met vlagvertoon en veel kopergeschal
schrijd je door je geharkte lanen.
De neerbuigende takken zijn je vazallen
de bomen je opstandige onderdanen.

Je paleis is een vervallen woning.
De stal een schuur, vergaan
tot het spant, bekroning

van een koninkrijk zonder troon.
Je scepter heb je laten staan
net als je vorstin zonder koning.


(Uit Nauwelijks of nog minder)






Men neme

Men neme een lijvige pollepel, een klok
zonder klepel, men neme een boormachine

en een verstopt zoutvaatje. Men neme
een veel te mooie vrouw en een weduwnaar,

een fortuin en een bedelaar, men neme
een waterval, een woestijn. Men neme

een stem en een weggeworpen biljet,
men neme een pop en een huilend

meisje, een arm, een knokige schouder
men neme een scheerspiegel, een vuurtoren.

(Uit Seinpost)






De kunst van het fietsen

In den beginne was er een
rijwiel: een zwart klimrek
met jasbeschermers

en een dynamo. Men zwom
zich nog voort, maar water
werd algauw tegenwind,

kieuwen werden molenwieken.
Daarna kwamen de motoren.
De stemverheffing

des volks: ach, een
fietser. Hoe anno!
Maar wie is er nu sterk?

Wie raakt er verblind en
wie spaart voor een goudvis?
Kijk dan, ik trap. Ik ben

uitgelaten! Mijn benen
bemalen de lucht. Mijn
zweet is mijn zwemwater.

(Uit Seinpost)






Lola rent

Laatst waren we op straat
iemand aan het reanimeren.

Een jonge vrouw kwam eraan.
Oordopjes in, sportkleding aan.

Ze keek op haar smartphone en botste
bijna tegen ons op. Kut, zei ze.

Lola, mooi, ongetekend,
zorgvuldig door de molenwieken

ontweken, rent ze in haar vlijmscherpe
oester dwars door de zwijnen.

O, wat gun ik Lola haar
parels. Wat houd ik van

haar ongenaakbaarheid,
haar onaanraakbaarheid,

haar nieuwsgierigheid naar andere
Lola’s, haar onverschilligheid

tegenover het oude, de glorie
waarvan de glans is vergaan,

het krimpende appeltje in de
fruitschaal, het kwijnende,

het verdwijnende, het koude.
Jammer dat we niet weten

waar en wanneer we sterven.
Lola moet rennen.

We mogen haar hand niet lezen,
niet haar toekomst voorspellen.

(Uit Seinpost)






Andere mensen

Andere mensen schijnen het
altijd beter te weten. Hun
wijsheid is ontegenzeggelijk.

Ze wonen niet op jouw eiland maar
op een vasteland waar het veel beter is
en de bomen de hemel bereiken.

Andere mensen lijken een familie
die jou is ontvallen. Zullen ze je
liefdevol opnemen als je hun

wijsheid erkent? Andere mensen zal
dat een zorg zijn. Ze kennen elkaar
niet en ze hebben geen idee wie jij bent.

(Uit Nauwelijks of nog minder)






Kwatrijn nr. 1

Toen ik behangen met spinrag de nevel
boven de watergang zag gingen mijn
schimmen in rook op en voelde ik het
heldere vuur van een zomerse dag.

(Uit Seinpost)







De vier onderstaande gedichten verschenen in het literaire periodiek Ballustrada, jaargang 32, editie 1-2 en jaargang 33, editie 4-5.










© Rogier de Jong