Stelling 71
Ergens in dit vetgemeste land
trekken horden rond met rieken en
vlaggen van de omgekeerde wereld.
Hun ezels zijn tractoren en hun
windmolens reflecties in vijvers
des overvloeds. Wat hebben deze
Quichotes te klagen? Puilen hun
stallen niet uit? Groeien hun
gewassen niet tot in hemel uit de
smerige grond? Ach, men moet wat
te klagen hebben, te blaten, te loeien.
(En als ze de waterspiegel hebben
bestormd, zullen de rimpelingen
weer wegtrekken en zal de orde der
dingen gezwind worden hersteld.)