Stelling 62
Toen ik je voor het eerst zag
wist ik nog niet wie je was.
Met een arm vol bloemen
verliet ik mijn auto en zag je
in de deuropening staan met een
innemende lach. Die lach
is niet weg – misschien even
als de deurwaarder langskwam
met een donkere dag.
We hebben blinde slagen
opgevangen en weer teruggeworpen
en iets langzamer, maar niet minder
bemind, elkaar toegelachen,
nu en in het aangezicht van
wat ons ooit staat te wachten.