Stelling 46
Misschien kwam het omdat ik
laveloos was geweest – maar
die nacht kregen de slaap en ik
elkaar niet te pakken. We leefden
in twee werelden. De mijne was
rusteloos, de zijne ging zichzelf
te buiten aan driestheid met
schreeuwende beelden en
siervuurwerk dat regelrecht
uit een caleidoscoop kwam.
Dit kakelbonte vertoon is niet
wat een nacht hoort te zijn.
Het zwart van de stille vogels, de
regenvlagen en de eenzaam
voorbijscheurende auto’s mogen
geen vrijbrief zijn voor kakofonie,
voor een cipier die met zijn sleutels
langs je bedspijlen ratelt.
Het stille donker is een wieg waarin
je wordt herboren, elk etmaal weer,
een schoot vol ernstige liefde.
Wie waakt, rekent af. Wie slaapt
wentelt zich in moederlijke doeken van
onschuld en heeft weinig te duchten.