Ruisende populieren voor de kunstenaar
Onlangs kwam ik het bezit van de derde dichtbundel van Tijs van Bragt: Anatomie van de grassen. Ik ben een groot liefhebber van Van Bragts werk, waarin de natuur zo’n beetje de maat aller dingen is, dus was ik blij met deze nieuwe aanwinst.
In tweeëndertig gedichten wordt (weer) heel wat afgedacht en gefilosofeerd over persoonlijke en minder persoonlijke dingen, maar alles afgezet tegen het perspectief van de flora en fauna die ons omringen. Elk menselijk lotgeval wordt betrekkelijk ten overstaan van zwarte zegge, tormentil, weegbree en aalscholvers, omdat de mens kleiner is dan de natuur. Dat is de kern van Van Bragts dichterschap die hier, sterker nog dan in zijn vorige bundels, wordt uitgedragen. ‘De staat van de wereld vind je in die weide,’ schrijft hij al in zijn openingsgedicht, om iets verderop te vervolgen: ‘En nooit zal de mens de armen reiken en applaudisseren zoals een aalscholver dat doet’. De relativering wordt nog eens herhaald en bevestigd in het slotgedicht, ‘Duel’ waarin zelfs de poëzie het moet afleggen tegen de kracht van de natuur:
in een zwart water staat een witte reiger
om elk gedicht teniet te doen
baadt de witte reiger in een zwarte, smalle sloot
Zo interpreteer ik ook de titel van de bundel. Die luidt niet: De anatomie van grassen maar Anatomie van de grassen. De verplaatsing van het lidwoord naar rechts, naar de vegetatie, geeft in een notendop weer wat Van Bragt met zijn poëzie wil (alweer volgens mijn interpretatie).
De ordening van de bundel in één afdeling, ‘kartografie van een ontbreken’, met drie gedichten ervoor, doet wat onnadrukkelijk aan en had wat mij betreft achterwege kunnen blijven. In die afdeling wordt een bevriende kunstenaar herdacht, maar is ook sprake van een verdronken dorp, en van een ander gemis ‘dat brandt in je vuisten’, al wordt niet duidelijk wie of wat wordt gemist. Dat hoeft ook niet, want: ‘niets keert terug naar zijn oorsprong’.
Het menselijk drama in Anatomie van de grassen wordt ondanks het ‘branden’ verzacht en op afstand gezet, zoals in oude vpro‐documentaires waarin aanzwellende achtergrondmuziek het menselijk getob reduceerde tot woorden, en het daarmee tegelijk ook universeel maakte. Daarom is het voor dichter Van Bragt van (levens)belang om de kracht van het natuurpanorama, van populieren die een uitvaart overstemmen vast te leggen: ‘ik noteer om niet te vergeten’. Het decor mag niet verbleken.
Je zou verwachten dat een dergelijke manier van uitzoomen de emotie in de poëzie van Van Bragt ondergeschikt maakt aan de natuurlyriek, maar het magische in zijn poëzie is nu juist dat deze techniek – als ik dat zo mag noemen – zeer beklemmend werkt omdat het gevoel als een boemerang terugkeert in de schoot van de lezer:
met wit krijt tekent ze het gemis af
de verdronken paarden, de haast
stomme spraak van de vogels
mijn plaats naast haar, de kom van mijn arm
waarin zij doorgaans ligt
ik spreek de vogels aan het water
sinds de mens en het dorp verging
kleden zij zich in een dek van rouw
een zwarte sluier ligt over de polder
de ondiepte van het water licht op
In tegenstelling tot een titeldeel van het openingsgedicht: ‘in jouw gedichten gebeurt niets’, vindt er dus wel degelijk iets plaats in de poëzie van Anatomie van de grassen. Je moet er alleen wel voor openstaan en goed lezen en vooral voelen. Je betreedt dan een wereld waarin de taal als machteloos vehikel een groter geheel probeert uit te tekenen bestaande uit zeer vreemde maar wel degelijk echte planten en dieren. Dat lukt, ondanks die machteloosheid van de taal, wonderwel, en dat mag je van een ervaren dichter als Tijs van Bragt ook verwachten.
De taal waarin Van Bragt zijn notities vastlegt en stileert, is complex en niet gemakkelijk leesbaar. Sterker nog dan zijn vorige bundels Bonterik Sterrenzager en Weier is deze bundel vrij ondoordringbaar, terwijl de beelden, en met name de natuurschetsen, wel weer helder zijn en bij vlagen zeer raak:
een egel op het midden van de weg
als een ballon vol maden
Elk woord lijkt zorgvuldig gewogen, er is geen sprake van ‘de geest de vrije loop laten’, de taal moet krimpen om de pit van de pruim bloot te leggen. Dat is puur kunstenaarschap, maar de dichter vraagt zo ook veel van zichzelf en zijn poëzie. Vandaar waarschijnlijk dat sommige gedichten uit niet meer dan drie regels bestaan, mét witregels, als impressionistische notitie, ontdaan van klankkast:
een staak in zee
het naar rechts richten van de elementen
een aanzet tot steniging
Over de vorm van de gedichten valt op te merken dat die ‘vrij’ is en op wat onopvallend rijm na geen in het oog springende stijlkenmerken bezit. Het zou zomaar kunnen dat de dichter daar bewust voor heeft gekozen, om de machteloosheid van de taal tegenover het grotere geheel dat ons omringt te benadrukken. Dat is de spagaat of zo men wil de paradoxale kracht van Van Bragts poëzie: zij relativeert de kunst – ik heb het al eerder genoemd – en stelt haar in dienst van de natuur.
De vormgeving van de bundel is stijlvol. Softcover, biotop papier (ik houd niet van witte bladzijden in een dichtbundel) en met een karakteristieke foto van de dichter op de achterflap.
De cover zelf toont een deeltekening van een paard, gemaakt door de Groese kunstenaar Theo Jordans, ietwat fletsig naar mijn smaak, maar de groene kleur van de titel en van het woord ‘gedichten’ brengt weer wat kleur op de wangen van de voorplaat.
Het enige, maar dan ook het enige, wat mij stoort in deze bundel is het lettertype. Ik vind de Arial – of iets wat daarop lijkt – plomp en niet passen bij de fijnzinnigheid van Van Bragts poëzie. Tegelijk kun je je afvragen of dat niet juist de bedoeling was: om de onderhorigheid van de taal ten opzichte van de natuur te benadrukken. Wie zal het zeggen.
Al met al vind ik Anatomie van de grassen een prachtige bundel, een duidelijke voortgang in Van Bragts werk.
Tijs van Bragt: Anatomie van de grassen (Uitgeverij Ezo Wolf, 2026), 40 bladzijden, € 20,00, ISBN 978908365350071
Rogier de Jong
9 april 2026