Parlando!
Parlando? Wat is dat? Een nieuw bedachte taal, de opvolger van Esperanto?
Nou nee.
Zoals elke kunstvorm ambachtelijke stijlen bezit, zo bedient ook de poëzie zich van creatieve vormen. Veel dichters hebben na lang experimenteren hun stem en manier van uitdrukken gevonden. Die kan variëren van hermetisch tot organisch en van verhalend (parlando) tot light verse en allerlei modi daartussen. De dichter zegt dan: ‘Ik heb mijn poëtica te pakken.’
In dit blog richt ik mij op de parlando dichtvorm. Ik heb het dan over prozagedichten, ook wel verhalende of anekdotische poëzie genoemd.
Het Letterkundig Lexicon omschrijft parlando poëzie als volgt: ‘Type gedicht, ook wel praatvers genoemd, dat als genre opgang maakte in de eerste helft van de twintigste eeuw en sterk verbonden is met de Nieuwe Zakelijkheid. Het is een vorm van poëzie die door het gebruik van gewone spreektaal of een anekdotische vertelstijl begrijpelijk wil overkomen. Als reactie op sommige taalexperimenten uit het modernisme streeft men in dit genre naar eenvoud en begrijpelijkheid, met een voorkeur voor de anekdote.’
Op de site nederlands.nl vinden we de volgende omschrijving: ‘Vorm van dichtkunst die voor alles begrijpelijk wil overkomen doordat gebruik gemaakt wordt van gewone spreektaal of van een anekdotische vertelstijl. Soms wordt dit verlangen om duidelijk over te komen ingegeven door wantrouwen tegenover het al te fraaie, verhullende woord. Men wil de dichtkunst integreren in het alledaagse.’ Synoniem van parlando is: ‘praatvers’.
Anders gezegd: Het is een vorm van poëzie die de afstand tussen kunst en alledaags leven wil verkleinen.
Verhalende poëzie heeft een lange geschiedenis, die teruggaat tot het ‘ventgerichte’ literaire tijdschrift Forum en ook Criterium, waarin grote namen als Gerrit Achterberg, M. Vasalis en Ida Gerhardt hun anekdotische poëzie publiceerden. Ook dichters als Martinus Nijhoff (later werk), E. du Perron, en later Rutger Kopland en Judith Herzberg worden vaak geassocieerd met deze stijl.
Als aartsvader van de parlando poëzie zou je E. du Perron kunnen beschouwen. In 1930 publiceerde hij de verzamelbundel Parlando waarin hij de poëtische oogst van de jaren 1927‐1929 opnam naast enkele oudere gedichten. De bundel markeert – aldus de site boekmeter.nl – zijn definitieve keuze voor een directe, onopgesmukte poëzie. De bundel bestaat uit gedichten waarin Du Perron afstand neemt van symbolistische plechtigheid en experimentele esthetiek, en kiest voor een parlando‐toonaard: een spreekstijl die helder, soms bijna prozaïsch is. ‘De gedichten behandelen persoonlijke thema’s als herinnering, vriendschap, zelfonderzoek en de spanning tussen authenticiteit en literaire pose. Tegelijkertijd bevat de bundel ironische en kritische noten richting de literaire wereld van zijn tijd.’
De Forum‐generatie heeft ook latere dichters geïnspireerd, zoals Jan Eijkelboom, Frank Koenegracht en Erik Menkveld.
Gered
Op een nacht lag ik wakker en hoorde
mijn hart niet meer slaan.
Ik ging dus dood, niet uitverkoren
of wedergeboren. Ontdaan
dacht ik: voor eeuwig verloren.
Ik had, als ik kon, wel op willen staan
maar waarom zou ik mijn ouders storen?
Het was gedaan, het was gedaan.
’k Viel in slaap onder stil geschrei,
was bevreemd toen het ochtend werd.
Angst begon te tanen,
vooral toen de meester eens zei:
bekeringen gaan gepaard met tranen.
Ik had gehuild, was dus gered.
Jan Eijkelboom, uit: Wat blijft komt nooit terug (De Arbeiderspers, 1979)
Een prachtig gedicht dat je meeneemt in een verhaallijn die het thema bekering op een verrassende manier omdraait en optilt.
Ook een dichter als Frank Koenegracht heeft zeer krachtige gedichten geschreven in anekdotische stijl. Recensent Kamiel Choi noteerde in dit magazine naar aanleiding van het verschijnen van het verzameld werk van Koenegracht: ‘Bijna dagelijks ontdekte ik prachtige poëtische doorkijkjes in de verraderlijk eenvoudige taal die het meesterschap van Koenegracht schraagt.’
Verraderlijk eenvoudige taal – het is niet alleen een stijlkenmerk van parlando poëzie, het schraagt zelfs het meesterschap van de dichter Frank Koenegracht. Het prozagedicht vertelt een verhaal dat je bij de hand neemt op een kleine maar fijne excursie:
Geen uitgang
Het is mij opgevallen dat er in dit huis
geen uitgang is. Zoekend naar tenminste
vensters dwaal ik door het feest.
De heer des huizes is van hout.
Hij kan daar niets aan doen maar zo ontwijken
toch de vele prachtige dames hem.
Er zijn ook bedienden vol sluimerende wijnen.
Er zijn ook zilveren danseressen.
Er heersen sluwe sferen achter de gordijnen
maar er is geen uitgang.
Geen uitgang naar de sterren buiten.
Uit: Alle gedichten (De Bezige Bij, 2019).
Een andere verhalende dichter die ik graag lees en bewonder, is Erik Menkveld. Zijn prozagedichten zijn gelardeerd met humor en luchtigheid, die contrasteren met een vaak diepere laag van melancholie:
Aan de mast
Wat is er zo gevaarlijk
aan dit bovenmaatse zingen?
Haal de was maar uit jullie oren.
Wend de steven. Maak me los.
De kust is veilig: moet je
de eeuwen er zien bloeien,
al hun ongekende ogenblikken
zich zien openen, elkaar
doorvloeien. Waarom storten
we ons niet die wemeling in?
Wat in godsnaam bindt ons aan dit
ene, verbeten op huis aan roeien?
Alle avonturen tegelijk beleven
kunnen we, maar jullie houden
koers en de zang wordt al
ijler, de kleuren vergloeien...
Uit: Schapen nu!! (De Bezige Bij, 2001).
Ondanks de heldere spreekstijl van parlando poëzie, is er ook ruimte voor stijlkenmerken als enjambement, alliteratie, klankassonantie en (soms) rijm.
In het bovenstaande gedicht van Menkveld speelt klank bijvoorbeeld een belangrijke rol. Er zijn a‐klanken, oe‐klanken, e‐klanken en i‐klanken. Marjoleine de Vos vroeg de dichter of de oe‐klanken in woorden als ‘doorvloeien’, ‘gloeien’ en ‘roeien’ het gedicht bij elkaar houden, waarop Menkveld antwoordde dat klank – bij hem – ook onbewust kan ontstaan, maar een gedicht wel degelijk ruggengraat geeft. De distichons waaruit het gedicht opgebouwd is – op zichzelf staande strofen van twee regels, traditioneel in de vorm van een puntdicht – vormen door hun klank en metrische accenten inderdaad een soort skelet, waarbij de enjambementen de puntigheid van de distichons weer enigszins afzwakken (in Dichtersgesprekken, 2005).
En zo zijn er tal van prachtige prozagedichten te vinden die de lezer meenemen langs verhaallijnen zonder taalexperimenten, maar wel met stijlkenmerken, lagen en betekenissen die je, net als verre hemellichamen, er niet meteen in verwacht. Misschien heb je een telescoop nodig of op zijn minst een verrekijker om te zien wat er onder de mantel van de ‘verraderlijk eenvoudige taal’ schuilgaat. Maar dan moet je dat wel willen zien: close reading heet dat geloof ik.
De dichter die ontdekt heeft dat parlando gedichten zijn of haar ‘fort’ zijn, staat niets anders te doen dan zich daarin bekwamen en prachtige anekdotische verzen schrijven. Belangrijk is dat hij of zij daarin zichzelf blijft en niet in andermans schoenen probeert te staan onder het motto: ‘Dat wil ik ook.’ ‘Word wie je bent,’ profeteerde Nietzsche ooit. Een wijsheid die je op menige scheurkalender niet zult vinden.
2 april 2026
Bronvermeldingen:
- Algemeen Letterkundig Lexicon
- nederlands.nl.
- boekmeter.nl
- Jan Eijkelboom, uit: Wat blijft komt nooit terug (De Arbeiderspers, 1979)
- Frank Koenegracht uit: Alle gedichten (De Bezige Bij, 2019)
- Erik Menkveld uit: Schapen nu!! (Uitgeverij Van Oorschot, 2016)
- Marjoleine de Vos uit: Dichtersgesprekken (Prometheus, 2005)
- Coverafbeelding: © Antiquariaat Klondyke, Knokke.