L

rogierdejong.nl

R



Nabranders




Op 11 juni 1977 deed ik met twee medestudenten hertentamen aan de Grote Rozenstraat in de stad Groningen. Toen we na afloop het faculteitsgebouw verlieten, scheerden een of meer straaljagers over ons heen met een kolossaal gebrul dat één van de medestudenten in tranen deed uitbarsten.

Deze straaljagers, zo bleek later, waren op weg naar het Drentse dorp De Punt om bijstand te bieden aan mariniers die een treinkaping door Zuid‐Molukkers gingen beëindigen. Dat werd een bloedige kwestie: zes kapers en twee gijzelaars lieten het leven.

De straaljagers zelf leverden geen directe bijdrage aan de gevechten. Ze wierpen hun bommen af in de omgeving om de mariniers de gelegenheid te geven de trein te bestormen. Hun brullende staartvuur diende daarbij als extra afschrikking. Later leerden we dat de militaire term daaroor ‘nabranders’ was.

Inmiddels is dit allemaal geschiedenis. De kwestie‐Molukken staat niet meer hoog op de agenda, geloof ik, en de betreffende straaljagers – F 104-Starfighters – liggen allang op het straaljagerkerkhof.

Maar de term ‘nabranders’ leeft voort, in symbolische zin, zoals dat wel vaker gebeurt met begrippen uit het oorlogsarsenaal, van het ‘bommetje’ in de zwemwereld tot ‘front’ in de meteorologie en ‘strategie’ in politiek en bedrijfsleven. En zo zijn er meer voorbeelden.

De term ‘nabranders’ wordt gebruikt voor vergeten opmerkingen die nog moeten worden gemaakt, bijvoorbeeld na een gespreksbijeenkomst omdat het nog niet genoeg is geweest en er nog iets moet worden gespuid. De gespreksleider, die eigenlijk naar de wc moet, wilde de bijeenkomst net afsluiten met een vriendelijk woord, maar krijgt in plaats daarvan een enthousiasteling voor zijn kiezen die nog iets te berde wil brengen. In plaats van de nakomer formeel af te kappen, staat de gespreksleider hem vriendelijk met zijn knieën tegen elkaar te woord, al begint hij de aanwezigen die hun spullen inpakken en weggaan, wel vast toe te knikken.

Voordragende dichters kennen het verschijnsel ook in de vorm van een toehoorder die na de voordracht, als de microfoon al uit staat en het publiek opstaat, op het podium springt om nog een eigen tekst voor te dragen – meestal geen erg sterke tekst, maar daar gaat het niet om – het zijn de schijnwerpers en de aandacht die tellen.

In alle gevallen gaat het, los van de aandacht, om nagekomen berichten. Berichten die gerijpt zijn tijdens een bijeenkomst of voordracht maar om de een of andere reden – vergeten of anderszins – zijn achtergehouden tot het bijna te laat is.

Ik heb het altijd een curieus verschijnsel gevonden. Als je iets te zeggen hebt, doe dat dan op het daarvoor geëigende moment, steek je vinger op of schrijf je in voor het open podium. Je moet er niet aan denken dat na een concert van het Concertgebouworkest een luisteraar het podium opklimt om op een cello te krassen. Of dat een museumbezoeker zijn eigen Zonnebloemen naast die van Van Gogh hangt. Of dat een pottenbakker zijn kleimannetje naast een beeld van Giacometti neerzet. De motivatie voor deze nabranders moet ergens tussen inspiratie en jaloezie in liggen, maar verraadt vooral dat de ‘dader’ in kwestie zijn zaakjes mentaal niet op orde heeft. Je ziet hem forceren en transpireren. De vergeetachtige mens niet te na gesproken.
Om even voor dominee Gremdaat te spelen: wie verificatie wil, kan terecht bij Prediker 3:1‐1 en bij The Byrds die er een heerlijk nummer over hebben uitgebracht.

Als kind heb ik me ook aan nabranden bezondigd. Als de leraar Nederlands of Engels een boeiend boek had behandeld, bleef ik na de les hangen om de docent nog eens extra te bevragen over Harper Lee of Hans Lodeizen. Mijn klasgenoten namen me dat kwalijk. Ze vonden me een slijmjurk die een wit voetje wilde halen of zijn rapport wilde opkrikken. Het gevolg was dat ik stevig werd gepest en bij sport als laatste werd gekozen. Ach, we kennen deze droeve, existentiële puberverhalen allemaal.

Een even droevig voorbeeld van een nabrander is de playlist die je bij een uitvaart krijgt te horen. De overledene, die bij leven niet bij machte was om zijn of haar gevoelens over het voetlicht te brengen, maar thuis wel met betraande ogen naar Pink Floyd of Radiohead zat te luisteren, wil dat gevoelsleven postuum alsnog uitdragen. ‘Hoor toe, dit was ik, dit ben ik’. Niks mis mee en ik wil het niet bespotten, maar je gunt zo iemand toch dat die identiteit vóór zijn dood kon worden uitgedragen, zodat er daarna een echt afscheid is en niet een postume kennismaking.

Over de dood gesproken: het kan ook zijn dat iemand – waarschijnlijk een kunstenaar – nog niet klaar was met uitdragen, dat er ongezegde of ongeschilderde dingen zijn blijven liggen. Het is dan aan de erven om die spullen te bundelen en naar de uitgever of de galeriehouder te sturen. Zo ontstond De oude kustlijn van Vasalis en je mist bij de opgenomen gedichten meteen de hand van de dichter, wat ze nog had willen zeggen, toevoegen of veranderen als ze de tijd had gehad.

Zo speelt de tijd altijd de hoofdrol in de nabrander: de kern ervan is dat ze te laat komt, te elfder ure, achter de feiten aanloopt, als het staartvuur van een overscherende straaljager.

Een rooskleuriger manier waarop nabranders zich kunnen manifesteren, is tijdens het scheppingsproces. Alweer elke dichter weet naar alle waarschijnlijkheid hoe dat werkt: je ploetert, zweet en schaaft aan een gedicht, maar het vers wil maar niet van de grond komen. De balans tussen vorm en de inhoud lijkt nog het meest op gebakken lucht. Je parkeert het onding uiteindelijk in de map ‘Misbaksels’ en trekt gefrustreerd je jas aan voor een wandeling met de hond. Tijdens die wandeling gebeurt het: in plaats van te genieten van het gedartel en gesnuffel van je viervoeter en te kijken naar de blaadjes en bloemetjes in de natuur – vooropgesteld dat je in de natuur woont – spitsen je inwendige oren zich omdat er signalen binnenkomen uit de poëtische wereld. Door de afstand die je hebt gecreëerd door je benen te strekken weet je opeens hoe het wél moet en haast je je naar huis om geen woord van de nagekomen berichten te missen. Mobiele telefoons zijn ook handig. Je kunt de binnenspringende tekst gewoon inspreken. Andere wandelaars denken dat je staat te bellen en verklaren je niet voor gek. Wat voor dichters die zich snel schamen een meevaller is.

Nog zoiets. Als het manuscript van je nieuwe bundel is ingeleverd, zie je opeens wat er wél had moeten staan, en wat niet. Maar wil je de uitgever lastigvallen met een herwerkte versie, en daarna nog één, waaraan ook weer van alles ontbreekt? Hoeveel nabranders kan een mens aan? Wie niet kan kiezen, moet leren verliezen.

Nabranders vereisen naast een slechte timing wel een helder hoofd. Beroemd is de anekdote over Simon Carmiggelt die na een stevig avondje stappen midden in de nacht wakker werd met een briljante ingeving. Bang de brainwave te vergeten, krabbelde hij deze snel op een papiertje en las de volgende dag: ‘Eekhoorntje op bosweg’.

Heb ik nog iets toe te voegen aan deze overdenking? Vast wel. Maar dat zal pas blijken als ik haar heb ingeleverd bij de redactie van Ballustrada. Dan schieten me opeens dingen te binnen die ik nog – of eigenlijk – had willen zeggen. Dan wordt duidelijk dat deze hele beschouwing slechts een voorspel was, een prelude op een essay dat nog moet beginnen.



Foto: By Alan Wilson ‐ Lockheed F‐104G Starfighter ‘D-8114’ Uploaded by High Contrast, CC BY‐SA 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=27216554

8 september 2026



Ook verschenen in het literair periodiek Ballustrada, jaargang 40, jubileumuitgave 2026.