Door een gat in de heg
Ik ben vast niet de enige die ooit naast een beroemdheid gewoond heeft. Abe Lenstra, Frits Bolkestein en Baruch Spinoza hadden ongetwijfeld ook buren. De celebrity waar wij als gezin naast woonden in de jaren vijftig van de vorige eeuw, heette Margaretha Droogleever Fortuyn‐Leenmans en zij tooide zich met de schrijversnaam Vasalis, Latijn voor ‘leenmans’.
Mijn oudste broer (1945‐2024) en ik verschilden van mening over de vraag of zij wel echt onze naaste buur was. Volgens hem woonde zij twee huizen verder. Als zij inderdaad twee huizen verderop woonde, is dat een streep door de rekening van mijn geheugen, want ik meen me met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te herinneren dat zij door een gat in de ligusterheg bij ons kwam buurten. Plaats van handeling was de wijk Helpman in Groningen‐Zuid.
Vasalis was jeugdpsychiater in Groningen en Assen. Haar vriendschap met dichters als Victor van Vriesland, J.C. Bloem en Adriaan Roland Holst was bekend in die tijd, net als de literaire prijzen die ze had gewonnen – maar haar eigen roem als dichter steeg boven dit alles uit. Haar laatste bundel Vergezichten en gezichten was al in 1954 verschenen. Daarvoor publiceerde ze De vogel Phoenix (1947) en haar debuut Parken en
woestijnen dateerde uit 1940.
Als ik een voetballertje was geweest, had een buurman als Abe Lenstra ongetwijfeld diepe indruk op me gemaakt. Maar helaas of niet, ik had meer met woorden. Vasalis, deze imposante, karaktervolle vrouw, wier bundeltjes bij ons in de boekenkast stonden, maakte iets in me los (net als Hans Verhagen en vele anderen jaren later, maar Vasalis legde de kiem). Uiteraard kon ik als kind niet bevroeden wát er in mij werd losgemaakt. Het blote feit dat de auteur van de door Van Oorschot stijlvol uitgegeven bundeltjes naast ons woonde, was reden genoeg om ze uit de kast te pakken en door te bladeren. In een
Meander‐column heb ik hier al eerder over geschreven. Wat ben ik tegengekomen op die bladzijden en vooral: wat trof me? Misschien wel de volgende regels uit ‘De weg terug’:
De avond kwam: de avondspin
had ons onmerkbaar ingesponnen.
[...]
Toen, in dit strak‐gespannen niet,
opeens van zeer dichtbij de regen,
stil slikkend langs het raamkozijn.
Uit: Parken en woestijnen (Van Oorschot, 1940)
Dat iemand zóiets kon schrijven! Vasalis zou niet lang daarna, in 1964, naar het Drentse dorp Roden verhuizen waar ze tot haar dood in 1998 bleef wonen.
Na 1954 zijn er geen bundels meer van Vasalis uitgekomen, uitgezonderd de postume uitgave De oude kustlijn (Van Oorschot, 2002). De dichteres verklaarde haar kleine oeuvre uit de enorme indruk die de Tweede Wereldoorlog op haar gemaakt had – een indruk die haar eigen lot relativeerde en commentaar harerzijds overbodig maakte (Herman Sandman in Arcadia der poëten – het literaire leven in Groningen tussen 1945 en 2005 (Uitgeverij Passage, 2008). ‘Ondanks die terughoudendheid’, schrijft Sandman, ‘werd Vasalis één van de meest gelezen dichters in Nederland.’
Onbekend voor mij was haar liefde voor Achterberg, een dichtstem die je volgens haar ‘noch bij de Engelsen, noch bij de Fransen’ kon vinden.
Persoonlijk heb ik meer met de dichteres zelf. Haar bijna fysieke beelden, die altijd leiden tot een persoonlijke bespiegeling, dit alles verwoord in een ragfijn traditionalistisch idioom, inspireren mij nog altijd. Marc Bruynseraede merkte over mijn laatste bundel De kalenderman (2025) in dit magazine op: ‘In zijn manier van schrijven spiegelt Rogier de Jong zich aan grote voorbeelden als Rutger Kopland en M. Vasalis, die in eenvoudige taal alles wisten uit te drukken en toch helemaal zichzelf konden zijn. Het kan geen toeval zijn dat beide voornoemde dichters ook geneeskundigen waren die hun gedichten nadrukkelijk niét als placebos de wereld wilden insturen. Zo ook Rogier de Jong die bij voorkeur dicht over iets dat niet triest is, maar rijk aan melancholische en niet al te prikkelende bubbels als Crémant d’Alsace, om maar iets te zeggen’.
Dat van die bubbels is natuurlijk aanvechtbaar, want crémant is een frisse, witte wijn die flink bruist. In Bruynseraedes betoog beluister ik vooral dat mijn poëtica het niet zozeer van prikkels moet hebben als wel van weemoed. Ik kan me daarin wel vinden.
Nu ik in mijn levensavond ben, met geen onmetelijke vooruitzichten op de kalender, realiseer ik me hoezeer de melancholie in Vasalis’ poëzie, in combinatie met haar heldere tekstbehandeling, mij als kind moet hebben geraakt. Het is de taal die ik zelf in mijn poëzie ben gaan spreken. Daarbij is het als met crémant: je houdt ervan of je houdt er niet van. Als je er niet van houdt, is dat niet erg. Het huis van de poëzie heeft vele kamers en ik woon in één daarvan:
Stelling 1
Hier sta ik en ik kan niet
anders. Dat wil niet zeggen
dat ik niet anders zóu kunnen,
als ik maar wist hoe. Maar dat
weet ik dus niet. Zou ik het
proberen, dan zou u waarschijnlijk
zeggen: dat ben jij niet.
We komen hier niet voor een
slechte vervalsing. Waarmee
ik maar wil zeggen dat echt niet
echt slecht is, tenzij het onecht is.
Maar dat is het dus niet.
Uit: Café Wittenberg (in voorbereiding)
Ik wil besluiten met een gedicht uit Vasalis’ postume, door haar kinderen samengestelde bundel De oude kustlijn (Van Oorschot, 2002), en wel met het eerste vers, dat ik meteen het krachtigste vind:
De wind is het al begonnen
je profiel te slijpen, je haar te fronsen
je ogen donker aan te blazen
de wind is het al begonnen
het papier om mij los te maken
mij uit te pakken, om te woelen.
Er is iets groots, iets wilds en rustigs gaande
in ons, aan de kant van het water staande
als stemvorken staan onze hoge benen
en zoemen op de zoemende grond,
het is te horen als we even
stilstaan, luistrend, mond op mond.
(25 november 2025)
Bronnen:
- M. Vasalis:: Parken en woestijnen (Van Oorschot, 1940)
- M. Vasalis: De vogel Phoenix (Van Oorschot, 1947)
- M. Vasalis: Vergezichten en gezichten (Van Oorschot, 1954)
- M. Vasalis: De oude kustlijn (Van Oorschot, 2002)
- Herman Sandman: Arcadia der poëten – het literaire leven in Groningen tussen 1945 en 2005 (Uitgeverij Passage, 2008)