L

rogierdejong.nl

R



De god in mijn hersenen





De god in mijn hersenen

Toen ik al bijna ontwaakt was herinnerde ik mij
dat ik die nacht in het verleden had geleefd
en zonder de geringste verbazing weer
geloofd had dat God bestond

ik wilde hem eindelijk wel eens spreken
het is een bijzonder aardige man zei iemand
je kunt hem gerust eens bellen
ik belde en er klonk een stem, een heel lieve stem
zodat ik mij een lieve gevleugelde vrouw voorstelde
zoals je wel ziet op felicitatiekaarten

wilt u god, werd er gezegd, toets dan één
wilt u god niet, toets dan niet
ik toetste één

en dezelfde gevleugelde vrouw zei: er is nog
één wachtende voor u en die ene bent u

ik herinnerde mij dat ik hier eindeloos over
moest nadenken tot ik ontwaakte en God weer
was verdwenen, ergens in mijn hersenen

Uit: Wat water achterliet – 2004 – Uitgeverij Van Oorschot


De dichtende psychiater Rutger Kopland (1934‐2012), die eigenlijk Rutger Hendrik van den Hoofdakker heette, vergaarde in 1966 in één klap eeuwige roem met zijn debuut Onder het vee. Ik beschouw hem als de nestor van de naoorlogse anekdotische poëzie, omdat hij te midden van het tumult van de Vijftigers en Zestigers de vent en niet de vorm centraal stelde. Anders gezegd: verhalende biografie boven dichterlijk constructivisme, waarbij het hem ging om de ‘condition humaine, onze verwikkeldheid in de diepste kwesties van het menselijk bestaan’ (uit zijn essaybundel Twee ambachten, Van Oorschot, 2003). Dit alles gegoten in een poëtica die je ‘typisch Koplands’ zou kunnen noemen. Wat zijn stem zo speciaal maakt? Ik denk een combinatie van speelse diepzinnigheid, schijnbaar pretentieloos opgedist, en ironische melancholie – ‘ontroering’ – waarin een heimelijk verlangen naar een verloren paradijs kan worden vermoed.

Kopland heeft veel dichtwerken geschreven, die nu gelukkig allemaal gebundeld zijn in zijn Verzamelde gedichten (Van Oorschot, 2015). Dat ik daarvan ‘De god in mijn hersenen’ uitkoos, komt omdat dat gedicht ooit op een poster een kunstenfestival in mijn woonplaats opsierde, waar ik het met vrolijke weemoedigheid las. Die speelse melancholie is Koplands handelsmerk, waarbij ‘speels’ ook opgevat kan worden als ironische terughoudendheid, als een streven om het niet té bont te maken, want als je gewoon doet, doe je als Nederlandse dichter al gek genoeg.

‘De god in mijn hersenen’ is dan ook in essentie een grappig en origineel relaas waarin iemand nog in zijn slaap terugkijkt op een droom over God.

Vormtechnisch valt over het gedicht het een en ander te zeggen. Het is in een vrije versvorm geschreven. De vijf strofen hebben een ongelijk aantal regels (4‐6‐3‐2‐3), er is geen rijm of klankassonantie te bespeuren, geen bijzondere regelval en ook metrum ontbreekt. Daar tegenover staat dat het gedicht compositorisch een mooie circulaire structuur heeft. In de drie middelste strofen wordt een nachtelijke droom beschreven. De eerste en de laatste strofe gaan over het zich nog slapend die droom herinneren en de laatste anderhalve regel over het ontwaken en erna. Het woord ‘herinnering’ komt twee keer terug in het gedicht, in dezelfde strofen waarin ‘God’ met een hoofdletter wordt geschreven. In de drie middelste strofen, het droomgedeelte, heeft de almachtige een kleine letter. Op beide zaken heb ik lang zitten puzzelen: vanwaar die afwijkende schrijfwijzen van ‘God’ en welke rol speelt het woord ‘herinnering’ daarin? We moeten het in dit gedicht dus hebben van – en over – de inhoud en die is, zoals ik hierboven al aangaf, op zijn zachtst gezegd intrigerend.


Toen ik al bijna ontwaakt was herinnerde ik mij
dat ik die nacht in het verleden had geleefd
en zonder de geringste verbazing weer
geloofd had dat God bestond


Ik wil beginnen met de hoofdletter in ‘God’. Waarom die hoofletter? Ik zie dat zo: de hoofdpersoon – wellicht de dichter zelf – heeft gedroomd over vroeger. Een vroeger waarin God nog bestond, als mysterie. God was toen voor hem en voor andere gelovigen een raadsel dat een ziel wordt toebedacht en een naam krijgt om er een relatie mee te kunnen aangaan, om ermee te kunnen praten. Vandaar ‘God’ met een hoofdletter. Een vorm van animisme zo je wilt.
Dat betekent enerzijds dat de hoofdpersoon – wellicht de dichter zelf – nu niet meer gelooft – atheïst is, of agnost, of gewoon verstandig – en anderzijds dat hij zijn geloof in God vroeger heel normaal vond en dat nu in zijn droom herbeleeft. Een ‘stukje’ verloren paradijs? Vergane glans?


ik wilde hem eindelijk wel eens spreken
het is een bijzonder aardige man zei iemand
je kunt hem gerust eens bellen
ik belde en er klonk een stem, een heel lieve stem
zodat ik mij een lieve gevleugelde vrouw voorstelde
zoals je wel ziet op felicitatiekaarten


De droom start grappig. De dichter droomt dat hij ‘hem’ (God) zowaar kan bellen en in zijn voorstelling een engel, een gevleugelde vrouw aan de lijn krijgt. Deze vrouw – niet god, want die was aangekondigd als ‘een bijzonder aardige man’ – ziet eruit als op een plaatje op een wenskaart, een soort Disney‐engel, waarmee de ontheiliging verdergaat en geloven degradeert tot een vorm van kitsch.


wilt u god, werd er gezegd, toets dan één
wilt u god niet, toets dan niet
ik toetste één


Hier lijkt de profanatie compleet. Het gebed wordt gereduceerd tot een keuzemenu. Want zodra het brein zich met het mysterie gaat bemoeien, wordt het verzakelijkt en verliest het zijn persoonlijkheid, zijn ziel, zijn magie, een daarmee zijn naam – en zijn hoofdletter. Dat is wat er in het telefoongesprek gebeurt: er wordt gebeld met god. Dat kan natuurlijk helemaal niet, net zomin als de Russische kosmonaut Joeri Gagarin in 1961 God kon tegenkomen vanuit zijn ruimtecapsule. God is alleen te benaderen via de ziel, via de magie van het gebed, en niet met een telefoon. De aankondiging die ik ooit op een Spaanse kerkdeur zag om je movil uit te zetten, kan ook op die manier opgevat worden.


en dezelfde gevleugelde vrouw zei: er is nog
één wachtende voor u en die ene bent u


Wat bedoelt Kopland met ‘die ene wachtende bent u’? Ook dit was een fikse breinbreker voor mij. Als je op jezelf moet wachten, kom je nooit aan de beurt. Maar waar wacht je op? Op geloof? Op je dood? Moet je eerst sterven voor je God te spreken krijgt? De verwarring en de grap zijn compleet.


ik herinnerde mij dat ik hier eindeloos over
moest nadenken tot ik ontwaakte en God weer
was verdwenen, ergens in mijn hersenen


Bovengenoemde breinbreker ondervindt de ik-figuur dus zelf ook in zijn droom. In zijn halfslaap, nog dromend dus, blijft hij eindeloos hierover tobben. Na het ontwaken kijkt hij op zijn droom én op het tobben in die droom terug, en stelt hij laconiek vast dat God na het ontwaken (samen met zijn droom) in zijn hersenen is verdwenen. Is dat wat God en geloof zijn – een hersenkronkel? En is het dan god die verdwenen is (zoals de titel aangeeft) of God (zoals in de laatste strofe staat) of beide(n)? We kunnen er als lezer over blijven nadenken. Waarschijnlijk daarom wordt het gedicht niet afgesloten met een punt.

‘De god in mijn hersenen’ is al met al een erg geslaagd gedicht, vind ik, over een fundamentele levensvraag. Het is raadselachtig, speels en ironisch, maar toch, zoals de meeste Koplandse gedichten, ook liefdevol. Het moet de enorme populariteit van de Meester uit Glimmen verklaren.

Over Kopland en het geloof (link).




Schilderij ‘Zelfportret met paard’ (olieverf op paneel):
© Trudy Kramer

Foto:
© Literatuurmuseum

(14 mei 2024)

Ook verschenen in het literaire tijdschrift Meander Magazine.