Rogier de Jong, dichter en stadsdichter van Aardenburg
Links
Rechts

Home

Publicaties

Media

Dichter

Stadsdichter

Nieuws


Weblog: De trein in de literatuur


Blogarchief

> 2022 | 04 | 01
> 2022 | 03 | 17
> 2022 | 03 | 10
> 2022 | 01 | 21
> 2022 | 01 | 20
> 2021 | 11 | 05
> 2021 | 08 | 25
> 2021 | 08 | 18
> 2021 | 08 | 06
> 2021 | 06 | 20
> 2021 | 03 | 17
> 2021 | 02 | 15
> 2021 | 01 | 27
> 2021 | 01 | 16
> 2021 | 01 | 10
> 2020 | 11 | 19
> 2020 | 08 | 27
> 2020 | 05 | 10
> 2020 | 04 | 19
> 2020 | 04 | 13
> 2020 | 03 | 23
> 2020 | 01 | 22
> 2019 | 08 | 24
> 2019 | 06 | 05
> 2019 | 03 | 24
> 2019 | 02 | 12
> 2019 | 02 | 08
> 2019 | 05 | 02





Claus, Hugo
De Coninck, Herman
Drie favoriete gedichten
Eerbiedskapitaal
Gordeldieren
Guépin, J.P.
Handke, Peter
Hermetische dichtkunst
Illich, Ivan
Leary, Timothy
Literaire herinneringen aan Groningen
Lodeizen, Hans
Memento
Moeyaert, Bart
Moore, Marianne
Nationaal Monument
Nietzsche, Friedrich
Östlund, Ruben
Poëzie en emoties
Poëzieweek 2021
Recensies
Schwartz, Delmore
Spoorwegen
Stadsdichter
Turing Gedichtenwedstrijd 2018
Verhagen, Hans
Von Trier, Lars
Zeeuws‐Vlaanderen

Waarom spoort de literatuur niet?




Laat ik het meteen maar bekennen: ik heb iets met treinen. Dat kan aan mijn karakterstructuur liggen, die niet harmonieert met organische kronkelingen en bochten. Ik wil rechtlijnigheid. En een spoorweg snijdt recht door het landschap, tenminste, als hij dat kan, want anders doet hij dat zo recht mogelijk, door kloven, langs berghellingen en over duizelingwekkende viaducten. In 2018 gaf ik blijk van mijn liefde voor spoorwegen met het volgende gedicht dat ik inzond naar de Turing-gedichtenwedstrijd:


Eigenlijk kun je heel goed
diagonaal reizen. Je neemt
een meetlat en trekt een
schuine lijn over de kaart.

De plaatsen die je doorsnijdt
doe je liefdevol aan. Je dwaalt
niet af want dat is niet vaardig:
de verwarring

die je zaait als je van
je pad afwijkt wordt duur
betaald. Smal is de weg en
recht ben je geschapen.

Wijk niet af, wees niet
laf. Volg je spoor,
grijp de einder. Dien
je gietijzeren liniaal.

Uit: Steeds op reis en altijd thuis, Poëziecentrum, 2019.


Als kind had ik natuurlijk een elektrische trein. Geen Märklin of Fleischmann, want die was te duur, maar een Triang, een Brits product met een transformator die slechts twee standen kende – ON en OFF – en die je na een uur moest uitzetten omdat de kamer anders begon te stinken naar schroeiende koolborstels.

Ook echte treinen hebben mijn belangstelling. Die zware machines met hun ijzeren wielen die over ijzeren spoorstaven denderen – als dat geen negentiende‐eeuwse romantiek is, dan weet ik het ook niet. Ik herinner me dat we als kinderen in Groningen grote spijkers op de rails legden. Als de trein voorbij was, raapten we uit de kiezels vlijmscherpe briefopeners op. Draaide je je een kwartslag, en keek je de snel krimpende trein na, richting Assen, dan zag je hoe de rails elkaar aan de horizon raakten. Ze leken samen een pijl te vormen die je toeriep: kom snel, er is zoveel meer!

Verbazingwekkend dus dat de stoere magie van het railvervoer er in de literatuur zo bekaaid afkomt (niet dat ik er serieus onderzoek naar heb gedaan al ben ik op Google wel een paar treingedichten tegengekomen, maar ik moest ernaar zoeken). En ik ben niet de enige die dat vindt. ‘Het was me als treinfanaat opgevallen hoe weinig de spoorwegen eigenlijk in de literatuur lijken voor te komen – althans, als méér dan een vervoermiddel’, zo constateert Milo van Bokkum op het weblog van Van Oorschot (2018).

Natuurlijk zijn ze er wel, boeken waar treinen in voorkomen. Om met een flauwe grap te openen: het spoorboekje. En om meteen daarna de moeder aller spoorwegromans te noemen: Het beest in de mens, van Emile Zola. Een boek vol sissende en denderende spoormonsters. En laten we Anna Karenina van Tolstoj niet vergeten. Een spoorwegarbeider komt jammerlijk onder een locomotief terecht en bezegelt daarmee Anna’s lot. Zij zal zich, uit jaloezie en liefdesverdriet, later ook voor de trein werpen. Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier vond ik een mooi en rijk geschakeerd boek dat terecht een bestseller werd. En Agatha Christie situeerde een hele misdaadroman in een trein: de Oriëntexpres van Parijs naar Istanboel. We herinneren ons de filmversie uit 1974, met Albert Finney als de speurneus‐met‐puntsnor Hercule Poirot. Blijven we nog even bij Van Bokkum: ‘Niets is fijner dan een boek of een hoofdstuk op een rustig tempo over het spoor binnenwiegen, soms wel vijftig pagina’s lang, zoals in Laszlo Krasnahorkai’s De Melancholie van het Verzet. Hetzelfde gebeurt bij Ismail Kadare (Twilight of the Eastern Gods) en Tom Hofland (Lyssa)’. Deze opsomming is nog niet af en daar kom ik zo op. Met reden. Vooralsnog moet de centrale vraag luiden: hoe komt het toch dat de literatuur – in letterlijk opzicht – niet spoort? Treinen spreken toch tot de verbeelding, die monsterachtige machinaties van de negentiende eeuw, die rijdende versies van de roet spuwende fabriekspijpen van Leeds en Sheffield en Dikke Bertha’s die in één keer een heel regiment konden wegvagen? Dat stampende tijdperk, met zijn hartslag van zuigers en stangen, glimmend van smeervet – het is dwaas dat het enige rijdende zinnebeeld daarvan, de trein, blijkbaar een station heeft gemist. Schrijvers en dichters hielden zich kennelijk niet graag op onder die rookpluim, in die schokkende Pullman‐wagons van Wagon‐Lits of anderszins. Zou dat komen door de bedenkingen men in de negentiende en vroege twintigste eeuw koesterde tegen de trein als verkrachter van het lieflijke landschap en/of als ontregelaar van de koemelk? En was het wel een veilig vervoermiddel? Op de site canonvannederland.nl lezen we:


Op 20 september 1839 wordt de eerste spoorlijn van Nederland feestelijk geopend. De stoomlocomotieven ‘Snelheid’ en ‘Arend’ trekken de eerste trein met 38 kilometer per uur van Amsterdam naar Haarlem. Veel mensen vragen zich af of het wel nodig en veilig is. Begin dat jaar is bij Gent nog de stoomketel van een vertrekkende trein uit elkaar gespat. Tot 1839 is het snelste vervoermiddel de paardenkoets. Die haalt zo’n 14 kilometer per uur. Veel prettiger reis je in de trekschuit, maar die gaat twee keer zo langzaam.


Je kunt speculeren wat je wilt, maar de vraag waarom de literatuur in railkundig inzicht niet spoort, is daarmee niet beantwoord. Dat wil zeggen: tot aan de Tweede Wereldoorlog. Daarna kwam er wel duidelijkheid, maar om een heel andere en ijzingwekkende reden die de Russische schrijver Vasili Grossman in Leven en Lot uitbeeldt met een messcherpe scène vanuit de cabine van een trein die een concentratiekamp binnenrijdt (aldus Van Bokkum in het laatste deel van zijn opsomming dat u nog te goed had).

Stel: je bent uitgever en wilt een bloemlezing publiceren met gedichten over ‘de trein’, van stoomzwoeger tot Blauwe Engel en van Hondekop tot TGV. Uit weldenkende kringen komen voorzichtige opmerkingen, sussende bezwaren, allengs vermanender: moet je dat nu wel willen? Zou je je niet twee keer bedenken? Het zou me verbazen als je je plan dan toch doorzet. Wie wil zo lomp en harteloos zijn?

Mijn vader, die vanaf de andere kant van de Maas al fietsend het bombardement op Rotterdam had gezien, en wiens vader – mijn grootvader – in het Jappenkamp had gezeten, met alle gevolgen van dien, vond dat we niet genoeg gewaarschuwd konden worden tegen de diaboliek van welke heilsleer dan ook. Hij nam ons in de jaren zeventig mee naar de bossen van het Drentse Hooghalen, waar, nu tegen de radiotelescopen van Dwingeloo aan, het voormalige concentratiekamp Westerbork ligt. In die jaren was het kamp verlaten door Indische Nederlanders – ‘Molukkers’ – en dat ‘woonoord Schattenberg’ was afgebroken en opnieuw opgebouwd als herdenkingscentrum voor het nazidoorgangskamp Westerbork (zie voor meer informatie de site kampwesterbork.nl).
Ik vond het een ongure plek. De grijze uniformen, blaffende herdershonden en het zigeunermeisje dat wezenloos door de kier van wagondeuren keek, je kon ze je gemakkelijk voorstellen. Ook de spoorrails was er nog, of weer terug, zij het een stukje, door kunstenaar Ralph Prins doorgezaagd en omhoog gebogen: twee ten hemel geheven handen, als in de openingswoorden van Psalm 22: ‘Eli, eli lama sabachthani’ – ‘Mijn, God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

Ik was na dat eerste bezoek om nog een andere reden verdrietig. Mijn dierbare trein, in zakformaat of niet, was van een ijzeren stedenbedwinger veranderd in een ratelslang die naar het oosten kroop, richting de dood.

De Nederlandse dichter en beeldend kunstenaar Armando heeft de plekken van en rond de nazivernietigingskampen ooit ‘schuldig landschap’ genoemd. Op deze gronden had zich immers het onvoorstelbare voltrokken, was onmenselijk lijden de gangbare praktijk geweest. De bodem, die moest toebehoren aan een of ander blond opperras, was van vreemde smetten ontdaan ten koste van bloed en as. Uit de film The Winds of War met Robert Mitchum en John Houseman herinner ik me een scène waarin vrachtwagens de as van vergaste mensen in een rivier kieperen. In continudienst. De omvang van het kwaad op bioscoopschermformaat.

Ik schrijf deze woorden met omzichtigheid op. Ik ben in 1952 geboren en heb in mijn zeventigjarige leven nog nooit oorlog hoeven meemaken, behalve dan die ene op zwartwittelevisie, een oorlog die mede dankzij The Doors en The Beach Boys op een rockopera leek. Ik ben me zeer bewust van dat voorrecht en daarom eigenlijk nog steeds in shock over wat zich enkele honderden kilometers oostwaarts heeft afgespeeld, bijna 80 jaar terug. Daarom heb ik het ook nooit kunnen opbrengen om na Westerbork nog een ander concentratiekamp te bezoeken. Toen mijn vrouw en ik drie jaar geleden naar München reden en het woord ‘Dachau’ op het navi‐schermpje opdoemde, wist ik niet hoe snel ik de duivel uit het doosje moest wegdraaien.

Is Armando’s kwalificatie ook van toepassing op het railvervoer, op de spoorwegen, de treinen? Zelfs zonder in moeizame discussies te vervallen over de rol van de Nederlandse Spoorwegen tijdens de Duitse bezetting, blijft het een onderwerp waarover de glazen stolp van de onaanraakbaarheid staat.

Is de Hollandse Schouwburg in Amsterdam schuldig? Is de grond onder studentensociëteit Mutua Fides in Groningen schuldig omdat daarop het beruchte Scholtenhuis heeft gestaan? Is de Waalsdorpervlakte schuldig?

Ik weet het: gemakkelijke achterafvragen. En toch: kunnen de spoorwegen, kan het landschap in Duitsland en Polen, kan de Grote Markt in Groningen er iets aan doen dat ermee en/of erop gruwelijke misdaden zijn gepleegd? Dat ze misbruikt zijn?

Met Van Bokkum vind ik het jammer dat in de literatuur geen rol voor de spoorwegen is weggelegd. En ik mis ook de behandeling van het schuldthema dat zo nauw met de omhoog gekrulde rails in Westerbork is verbonden. Ik kan heel goed navoelen dat gemeenschappen en familieleden van voormalige slachtoffers geschokt zouden raken door zo’n discussie. Het begrip ‘spoorwegen’ is voor hen nog steeds beladen en het zal die beladenheid ook wel nooit meer verliezen. Toch pleit ik ervoor om in proza en poëzie althans een begin te maken met de literaire duiding en verwerking van het kolossale trauma dat zo onlosmakelijk is verbonden met de ten hemel geheven handen in Drenthe. Want het zijn mensen geweest die de misdaden bedacht en uitgevoerd hebben. Mensen. Opgejut door hun wanen.

_____________________________________

Foto: © tracesofwar.uk

(21 januari 2022)



© Rogier de Jong