Rogier de Jong, dichter en stadsdichter van Aardenburg
Links
Rechts

Home

Publicaties

Media

Dichter

Stadsdichter

Nieuws


Weblog: Memento


Blogarchief


> 2020 | 11 | 19
> 2020 | 08 | 27
> 2020 | 05 | 10
> 2020 | 04 | 19
> 2020 | 04 | 13
> 2020 | 03 | 23
> 2020 | 01 | 22
> 2019 | 08 | 24
> 2019 | 06 | 05
> 2019 | 03 | 24
> 2019 | 02 | 12
> 2019 | 02 | 08
> 2019 | 05 | 02





Claus, Hugo
De Coninck, Herman
Hermetische dichtkunst
Lodeizen, Hans
Memento
Moore, Marianne
Östlund, Ruben
Recensies
Stadsdichter
Turing Gedichtenwedstrijd 2018
Verhagen, Hans
Von Trier, Lars
Zeeuws–Vlaanderen

Op zoek naar Eurydice




Memento heeft een lange weg afgelegd met veel hindernissen. Toen Willemien in 2003 wist dat ze niet beter zou worden, vroeg ze mij ons leven samen op schrift te stellen. Ze hoopte op een soort biografie, denk ik, maar na haar dood kon ik me daar niet toe zetten.

Niet lang daarvoor had ik het levensverhaal geschreven van een vrouw met MS. Ik voelde weinig voor een herhalingsoefening. Ik wilde iets schrijven waar ik achter kon staan, een roman misschien, maar toen net rond die tijd Komt een vrouw bij de dokter van Kluun uitkwam, begreep ik dat ik zoiets evenmin wilde.

Tussen de bedrijven door was ik gedichten gaan schrijven als uitlaatklep voor mijn emoties. En toen gebeurde er iets opmerkelijks. Het viel me op dat die gedichten een soort eenheid begonnen te vormen. Zou dít het boek worden waarom Willemien had gevraagd?

Of toch niet? Ik zat nog zo diep in mijn rouwbeklag dat de gedichten niet goed waren, ik vond ze te particulier en te larmoyant. Echte poëzie moest een andere kant op. Aldus experimenterend ontstond Finally cut my hair, het eerste vers dat ik schreef voor de bundel en dat nu achterin is te vinden. In dat gedicht besluit de hoofdpersoon – dat ben ik, maar wat doet het ertoe – zijn schaamhaar af te scheren, iets wat zijn overleden vrouw altijd voor hem deed. Daarmee zet hij een eerste stap naar zelfstandigheid en neemt hij tevens afstand van zijn schaamte om met zijn poëzie naar buiten te komen.

Finally cut my hair

Het seizoen is voorbij. De
wintervacht groeit. De tondeuse
slaapt in jouw nachtkastje.

Ach, het ritueel van het scheren.
Hoe je mijn oksels onthaarde.
Mijn zak epileerde.

Hoe je naakt op me zat, een klein
beetje vochtig, je tong uit je mond,
met je ladyshave in de weer.

Hoelang blijf ik besluiteloos naar
mijn takkenbos staren? Zal ik
mezelf maar manmoedig ontharen?

Zo ontdekte ik al schrijvend dat ik de kant op moest van herinneringen en anekdotiek. Dat had tegelijk het voordeel dat ik kon onderzoeken hoe Willemien en ik ons tot de dingen verhielden en ook tot elkaar. Het ‘wat’ opende een deur naar het ‘hoe’ en ‘waarom’.

Maar hoe kwam ik aan die herinneringen? Het verleden trok zich terug als de kop van een schildpad. Hoe krampachtiger ik achteromkeek, als Orpheus in de onderwereld, hoe minder ik zag. Het openingsgedicht van de bundel Wie was het? dat tijdens de boekpresentatie op 23 maart 2019 is voorgedragen, probeert die amnesie onder woorden te brengen:

Wie was het?

Was het een rieten
zoldering? Of was
het een hooiberg?

Lag ik gevloerd of lag ik
op jou? Was ik de missionaris
of was ik novice?

Tenzij jouw wangen gloeiden van
opwinding zag ik mijn schaamte
weerspiegeld in jouw gezicht.

Tenzij mijn zaad terugvloeide uit
jouw schoot zag ik mijn zelfverwijt
zich een weg banen naar buiten.

Of was het de kater die met het
lege fust wegliep omdat er een
sater vaardig was over hem die

zijn baldadige speer hooghield?
Wie van ons was het?
Wie leende zijn naam?

Ik besefte dat ik het met het memoreren van het verleden niet ging redden. Misschien wel omdat ik uit loyaliteit met Willemien te eerlijk wilde zijn: de waarheid moest prevaleren. Aan de andere kant begreep ik ook dat als ik aan haar wens voor een boek wilde voldoen, ik mezelf meer vrijheid moest toestaan. De vrijheid om de anekdotes te bewerken, te herscheppen, te reconstrueren.

Dit bitterzoete dilemma loste zich op toen ik ontdekte dat ik het verleden als materiaal kon gebruiken in plaats van als archief. Zo ontstonden verzen over een rolstoel, over een pruik, over het opruimen van nagelaten spullen – eigenlijk over dat hele ingewikkelde proces van herinneren dat verstopt zit in de som van de delen en dat je er met losse hand moet uit zien te schudden.

Stijlkamer

Je werkkamer lag er gestold
bij: open agenda, gele memo’s
(‘Jettepoes bellen!’)
en een asbak vol peuken.

Het was een foto van je laatste dag
op aarde, een kunstwerk. Ik maakte
een bordje: ‘Niets aanraken a.u.b.’
en trok de deur zachtjes achter me dicht.

Na maanden – of jaren – was het tijd
om het praalgraf te schenden
De plundering was een feit.
De wereld moest verder.

En zo zijn we aangeland bij het thema van Memento: herinneren. Memento gaat eigenlijk over de weerbarstigheid van het geheugen, over herinnering. Over de bitterzoete kunst van het reconstrueren die de tijd – en dat is dan weer mooi meegenomen voor de nabestaande dichter – een handje helpt de wonden te helen. Het motto van William Kentridge voor in de bundel ‘Forgetting is natural, remembering is the effort one makes’ ben ik niet voor niets precies op het goede moment tegengekomen.

De dichter Eke Mannink liet me weten deze zienswijze absoluut niet te delen. ‘Tijd heelt de wonden helemaal niet’, schreef ze, ‘ze kerft ze alleen naar steeds dieper.’ Het zijn precies deze wonden die Orpheus de onderwereld in dreven om zijn geliefde Eurydice naar de bovenwereld te halen. Er was echter één voorwaarde: hij mocht niet achteromkijken. Helaas deed hij dat wel en zo verspeelde hij zijn geliefde voor eeuwig.

Nu is er dus een uitgave. Prachtig verzorgd en vormgegeven door de uitgever. Heb ik daarmee recht gedaan aan Willemiens wens? Eigenlijk niet. Daar voel ik me naar goed calvinistisch gebruik schuldig over. Maar dat moet dan maar de prijs zijn die ik betaal.

(24 maart 2019)




© Rogier de Jong