Rogier de Jong, dichter en stadsdichter van Aardenburg
Links
Rechts

Home

Publicaties

Media

Dichter

Stadsdichter

Nieuws


Weblog: Literaire herinneringen aan Groningen


Blogarchief

> 2021 | 11 | 05
> 2021 | 08 | 06
> 2021 | 08 | 25
> 2021 | 08 | 18
> 2021 | 06 | 20
> 2021 | 03 | 17
> 2021 | 02 | 15
> 2021 | 01 | 27
> 2021 | 01 | 16
> 2021 | 01 | 10
> 2020 | 11 | 19
> 2020 | 08 | 27
> 2020 | 05 | 10
> 2020 | 04 | 19
> 2020 | 04 | 13
> 2020 | 03 | 23
> 2020 | 01 | 22
> 2019 | 08 | 24
> 2019 | 06 | 05
> 2019 | 03 | 24
> 2019 | 02 | 12
> 2019 | 02 | 08
> 2019 | 05 | 02





Claus, Hugo
De Coninck, Herman
Eerbiedskapitaal
Gordeldieren
Guépin, J.P.
Handke, Peter
Hermetische dichtkunst
Illich, Ivan
Leary, Timothy
Literaire herinneringen aan Groningen
Lodeizen, Hans
Memento
Moore, Marianne
Nationaal Monument
Nietzsche, Friedrich
Östlund, Ruben
Poëzieweek 2021
Recensies
Stadsdichter
Turing Gedichtenwedstrijd 2018
Verhagen, Hans
Von Trier, Lars
Zeeuws–Vlaanderen

Literaire herinneringen aan Groningen



Voor wie het nog niet wist: de stad Groningen heeft een rijk letterkundig verleden. Vasalis, Belcampo, Waskowsky, De Vries… Hermans, Kopland, Van Wissen, Rawie… al deze namen en nog veel meer zijn verbonden met de Martinistad waarin ik geboren en opgegroeid ben.

Groningen was ruim een halve eeuw geleden een flinke provinciestad met zo’n honderdvijftigduizend inwoners. Ze had een uitbundig literair leven maar was nu ook weer niet zo groot dat je niet vroeg of laat met een letterkundige in aanraking kon komen, zelfs als je niets om literatuur gaf.

Toen ik in oktober 2021 na jaren mijn geboortestad weer eens opzocht, deed ik natuurlijk het gloednieuwe Forum aan, dat veelkantige gebouw van vijfenveertig meter hoog dat in 2019 zijn deuren opende en waarvoor een hele wand van de Grote Markt moest worden gesloopt. Vanaf het dakterras heb je een weids uitzicht over het ommeland, maar vooral over de stad. Vanaf die hoge plek openbaart zij zich als een plattegrond waarop je je eigen geschiedenis kunt aanwijzen. Groningse literatoren nemen daarin in mijn geval een bescheiden, maar daarom niet minder belangrijke plaats in.

Zuidelijk
Ons gezin woonde in de jaren zestig van de vorige eeuw in Groningen–Zuid, in de wijk Helpman. Het toeval wilde dat één van onze buren de dichteres Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans was, die haar meisjesnaam had verlatijnst tot Vasalis. Ze kwam af en toe onze tuin inlopen om een praatje te maken – dichters moeten ook leven – en maakte indruk op mij door haar levendige en toch voorname uitstraling en de eeuwige sigaret in haar hand. Ze werkte als kinderpsychiater in Assen en Groningen en had haar drie bundels Parken en Woestijnen (1940), De vogel Phoenix (1947) en Vergezichten en gezichten (1954) allang gepubliceerd. Als tienjarige wist ik bijna niets van poëzie, maar deze buurvrouw maakte zo’n indruk dat ik haar bundeltjes uit de kast trok. Wat ben ik tegengekomen op die bladzijden en vooral: wat trof me? Misschien wel de volgende regels uit ‘De weg terug’:

De avond kwam: de avondspin
had ons onmerkbaar ingesponnen.

[….]

Toen, in dit strak-gespannen niet,
opeens van zeer dichtbij de regen,
stil slikkend langs het raamkozijn.

Uit: Parken en woestijnen, Van Oorschot, 1940.

Dat iemand zóiets kon schrijven! Vasalis zou niet lang daarna, in 1964, naar het Drentse dorp Roden verhuizen waar ze tot haar dood in 1998 bleef wonen.
Na 1954 zijn er geen bundels meer van Vasalis uitgekomen, uitgezonderd de postume uitgave De oude kustlijn (Van Oorschot, 2002). De dichteres verklaarde haar kleine oeuvre uit de enorme indruk die de Tweede Wereldoorlog op haar gemaakt had – een indruk die haar eigen lot relativeerde en commentaar harerzijds overbodig maakte (Herman Sandman in Arcadia der poëten – het literaire leven in Groningen tussen 1945 en 2005 (Uitgeverij Passage, 2008). ‘Ondanks die terughoudendheid’, schrijft Sandman, ‘werd Vasalis één van de meest gelezen dichters in Nederland.’
Onbekend voor mij was haar liefde voor Achterberg, een dichtstem die je volgens haar ‘noch bij de Engelsen, noch bij de Fransen’ kon vinden.
Persoonlijk heb ik meer met de dichteres zelf. Haar bijna fysieke beelden, die altijd leiden tot een persoonlijke bespiegeling, dit alles verwoord in een ragfijn traditionalistisch idioom, inspireren mij nog altijd.

Zuidelijker
Nog iets verder naar het zuiden, voorbij het eindpunt van de in 1965 opgeheven trolleybuslijn 1, begint de plaats Haren, inmiddels opgeslokt door de gemeente Groningen. Dat welgestelde tuindorp was de woonplaats van Willem Frederik Hermans (WFH) nadat hij uit het centrum van de stad was verhuisd. WFH woonde in ‘De Lindenhof’ op het adres Julianalaan 11, een rietgedekte villa met een glooiend dak waarvan ik me altijd afvroeg of hij er weleens uit balorigheid afroetsjte. Want balorigheid kon je deze zuurpruim des vaderlands niet ontzeggen:

Wie leidt geen leven als een slechtzittend pak vol vlekken?

Wij gaan 's nachts met een zaklantaarn op een zonnewijzer
kijken hoe laat het is.

Ik heb de klok horen luiden,
al weet ik waar de klepel hangt.

Het licht staat loodrecht in het gras,
onaangeroerd als een fles melk
voor een huisdeur in de ochtend.

Het asfalt blijft zo zwart als roet.
Ik weet niet waar de tijd begon.
Niet waar ik zelf beginnen moet.

Uit: Overgebleven gedichten (Bezige Bij, 1968).



WFH was lector geografie aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG), en daarmee een collega van mijn vader, die er economie gaf. Hermans liet regelmatig verstek gaan op zijn faculteit, wat bij de meer gedisciplineerde hoogleraren veel wrevel opriep, die op een licht schertsende, maar wel degelijk raillerende toon werd geuit: ‘Wim was vandaag niet op zijn werk. Zat zeker weer thuis een boekje te schrijven’.
WFH was zoals bekend niet alleen een polemist op papier, maar ook in zijn leven. Mijn rechtlijnige vader kon die consequentheid in hem wel waarderen. En daarbij waren WFH en hij ‘wapenbroeders’ in hun strijd tegen de doorgeschoten democratisering binnen het wetenschappelijk onderwijs.
Wat WFH betekend heeft voor de stad Groningen is niet helemaal duidelijk. Hij was niet bij het plaatselijke literaire leven betrokken dus hij heeft daar ook geen sporen achtergelaten. Volgens Onno Blom in de Volkskrant van 16 juli 2021 herinnert bijna niets in de stad meer aan hem: ‘Geen wandelroute, geen eigen plankje in de plaatselijke boekhandel. En al helemaal geen standbeeld – van het idee zou de schrijver zich omdraaien in zijn graf.’ Wat zocht hij dan wel in de Martinistad? Ruimte voor zijn gezin en zijn schrijfmachines wellicht? Zijn literaire betekenis overschreed in elk geval al vrij snel de provinciegrens en zijn hart trok naar Brussel, de stad waar hij in 1940 kort had gewoond. Groningen verwerd in die nostalgie tot een oord – ik parafraseer Sandman – ‘waar de bomen pas laat uitlopen en het ’s zondags altijd regent’.



Was dat de reden dat WFH zijn werkgever bruuskeerde? In Onder professoren veegt hij met zijn bekende gestileerde scherpte de vloer aan met de togadragers die hem het leven zuur maakten en aan wier doodkist hij zelf ook een nagel was, zeker nadat hij steeds beroemder werd als schrijver (Karin van den Born in ‘Andere tijden’). De sleutelroman kwam een jaar voor mijn vaders overlijden uit, en ik acht het niet uitgesloten dat pa nog even nerveus heeft gebladerd: ‘Sta ik erin?’ Hij kon gerust zijn – hij stond er niet in.

Nog zuidelijker
De weg vervolgend naar het zuiden, komen we via Haren en het naburige Harenermolen terecht in de Drentse plaats Glimmen. In die idyllische omgeving, dicht bij het stroomdal van de Drentsche Aa, woonde de dichtende psychiater Rutger Hendrik van den Hoofdakker, alias Rutger Kopland. Ook Kopland was in die jaren werkzaam aan de RuG en verwierf enige bekendheid met zijn stellingname tegen de in zijn ogen autoritair functionerende medische stand van die dagen. Veel befaamder werd hij echter als dichter, een ‘eeuwige roem’ die hij in 1966 in één klap vergaarde met zijn debuut Onder het vee.

Een psalm

De grazige weiden de rustige wateren
op het behang van mijn kamer
ik heb geloofd als een bang kind
in behang

als mijn moeder voor mij gebeden
had en mij weer een dag langer
vergeven was bleef ik achter
tussen roerloze paarden en koeien
te vondeling gelegd in een wereld
van gras

nu ik opnieuw door gods landerijen
moet gaan vind ik geen schrede
waarop ik terug kan keren, alleen
een kleine hand in de mijne
die zich krampt als de geweldige lijven
van het vee kreunen en snuiven
van vrede.

Uit: Verzamelde gedichten (Van Oorschot, 2006)

Als tiener begon ik zelf ook gedichten te schrijven en het leek me, toen ik twintig werd, een goed idee om een manuscript naar Rutger Kopland te sturen. Tot mijn stomme verbazing kreeg ik een getypt briefje terug waarin de dichter schreef dat hij één gedicht uit de bundel naar Geert van Oorschot had gestuurd met het verzoek het te beoordelen voor het tijdschrift Tirade. Hij schreef erbij – je bent psychiater of niet – dat hij zich wel afvroeg of hij er goed aan deed gezien mijn leeftijd. Dat gedicht, ‘Tomi’, een vierdelig cyclusje over de dichter Ovidius die zich beklaagt over zijn verbanning naar de Zwarte Zee, haalde Tirade en leverde me, behalve trots, een handgeschreven postwissel op van Geert van Overschot ter waarde van vijfentwintig gulden.
Kopland had gelijk: het vroege succes smoorde het opflakkerende dichtertje in het kaarsvet van zijn overmoed. Het zou jaren duren voor het vuurtje weer oplaaide.
Koplands stem heeft net als die van Vasalis veel betekend voor mijn ontwikkeling als dichter. Uiteraard waren er meer inspirerende stemmen, ook buiten de stad Groningen – bijvoorbeeld in Vlissingen. Daarover een andere keer.

Noordelijk
Ten noorden van het Forum ligt de Korrewegwijk, de buurt waar ik in 1952 ben geboren, op een volgens mijn ouders snikhete dag.



Gerrit Krol (1934-2013) woonde er ook, evenals Hendrik de Vries (1896-1989), de beroemde dichter en beeldend kunstenaar die tussen de ‘stadjers’ opviel door zijn woeste manen en vorsende blik, en die in het interbellum furore maakte met surrealistische en vitalistische poëzie die deels op ‘het Spaanse leven’ georiënteerd was:

Koorts

Hoor! Zo is nooit gezongen! Hoor!
’t Behang bewoog.
En ’t haar van ’t zwaar bewimperd oog.
Wat vloog
De ruimten door?

’t Zal morgen zijn
Of ’t niet bij nacht zo hard met zwepen
Geslagen had. -
Zie door ’t gordijn
De geesten in hun koude schepen!

De takken schaven aan de randen
Van ’t venster. In de verte fluit
Het altijd helder langs de landen.
De dieren op de wanden
Verdwijnen. ’t Licht gaat uit.

Uit: Verzamelde gedichten (Bert Bakker, 1993)



Naast surrealistische en vitalistische poëzie vertaalde en schreef De Vries ook vierregelige gedichten van acht lettergrepen per regel: de zogenaamde copla’s, een Spaanse dichtvorm met een soms schertsend plot (light verse zouden we tegenwoordig zeggen):

De dokter, bij mijn geboorte,
Voelde mijn pols en besloot:
‘Zolang dit kind maar blijft leven,
Gaat het in geen geval dood.’

Uit Copla’s, Amsterdam, z.j.

De Canadezen hadden bij de bevrijding van Groningen de Grote Markt voor een groot deel aan flarden geschoten – de sporen daarvan waren medio jaren zestig nog zichtbaar – en ook het literaire leven lag aan scherven. Schrijvers van enige betekenis waren naar het westen getrokken; De Vries behoorde tot de weinigen die na 1945 in de stad waren achtergebleven. Zijn gezondheid was niet florissant en zijn werkdrift zat ook in het slop, maar de ontmoeting met een nieuwe geliefde deed hem opveren en op aansporing van bevriende dichters als A. Marja en anderen begon hij zelfs weer te dichten en te schilderen. Bij een expositie van zijn nieuwe werk verraste de gemeente Groningen hem bovendien met de instelling van de Hendrik de Vriesprijs. De Vries was de eerste die de prijs won. Ja, hij was terug en ‘kon niet meer stuk’. Maar zijn herwonnen succes zou na de verschijning eind jaren veertig van Toovertuin – romancen, sproken en arabesken, een bundel die de jaren daarvoor in fragmenten in literaire tijdschriften was verschenen, toch gaan tanen. De bundel leverde hem weliswaar de waardering op van onder anderen Adriaan Morriën en Willem Frederik Hermans – in die tijd redacteuren van Criterium die er speciaal voor naar Groningen afreisden – maar met de komst van de Vijftigers verdween de poëzie van De Vries uit beeld. De levensroman‐op‐rijm waar hij aan werkte en die hij wellicht als zijn magnum opus beschouwde, raakte gedateerd. ‘Er was geen plek meer voor negentiende‐eeuwse retoriek’, vat Herman Sandman de gang van zaken in Arcadia der Poëten – Het literaire leven in Groningen 1945-2005 kernachtig samen.

Toen ik laatst de Korreweg bezocht en de portiektrappen naar mijn geboortehuis opliep, kon ik mij niet voorstellen dat mijn leven daar was begonnen. En al helemaal niet dat verderop twee beroemde literatoren hadden gewoond. Maar ja, wat is een plek. Je moet ergens beginnen.

Noordwestelijk (1)
Terug naar het Forum. Vanaf het dakterras kijk je in noordwestelijke richting tegen de bovenste helft van ‘d’Olle Grieze’ aan (de Martinitoren), en recht daarachter zie je het deel van de diepenring dat Schuitendiep heet. In een statig grachtenpand daar woonde Herman Pieter Schönfeld Wichers (1902‐1990), beter bekend als de schrijver Belcampo.



Belcampo, geboren in Naarden, had als huisarts in Overijssel gewerkt en was bij zijn aankomst in Groningen in 1953 al bekend als schrijver, ook bij het grote publiek. Zijn dochter Maartje Arian-Schönfeld Wichers schrijft daarover: ‘Liefde’s verbijstering was uitgekomen en wij waren langzamerhand al blasé geworden van de goede recensies. Veel mensen in Groningen bleken hem al als schrijver te kennen’ (Bzzlletin, 1996).
Belcampo was een non‐conformist met eigen ideeën, zowel in zijn werk – hij was studentenarts aan de Rijksuniversiteit – als in het metier van auteur. Als arts hield hij twee keer per week spreekuur en hij slaakte een zucht van opluchting als er geen patiënten waren verschenen. Dat weerhield de Groningse huisartsen er niet van onder het mom van ‘broodroof’ de universiteit te dwingen studenten via Belcampo naar hen door te verwijzen. Dat die studenten dat als een welkome gelegenheid zagen om via hem voorbehoedmiddelen te verkrijgen, vond de schrijver geen punt. Het houten trompetje dat bij wijze van stethoscoop om zijn nek hing, symboliseerde zijn ceremoniële status als arts en verwees tevens ludiek naar zijn kunstenaarschap.
Ook in zijn schrijven voer Belcampo een volstrekt eigen koers. Hij schreef absurdistische verhalen die in geen enkel genre pasten en hem een eigen stroming opleverden: het belcampisme. Dat nam niet weg dat hij verschillende literaire prijzen ontving en dat zijn oeuvre in diverse talen vertaald werd.

Ik zat in mijn studeerkamer en was bezig aan mijn boek over de zelfmoord als seksuele afwijking, toen het dienstmeisje kwam melden, dat er iemand voor mij buiten stond. Ze had de voordeur niet open durven maken, omdat het al zo laat was.
Ik ging zelf naar voren en vond een oude vriend waarmee ik vroeger veel plezier had gemaakt en die ik nu in een jaar niet had gezien. Hij lag geknield op de stoep en lachte me toe.
We schudden elkaar de hand en ik zei: ‘Kom binnen en schei uit met die kinderachtigheden,’ want ik was ernstiger geworden.
Hij zei: ‘Ik kan niet,’ en meteen draaide hij zich om. Toen zag ik, dat hij al zijn ledematen miste.

Fragment uit Bladzijde uit het dagboek van een arts (belcampo.net)


Anders dan Hermans was de schrijver Belcampo niet ongelukkig met het combineren van schrijven en werk, al hield hij beide wel goed gescheiden: ‘Hij was als de dood’, schrijft Sandman, ‘dat de publiciteit omtrent zijn persoon hem te veel in zijn vrijheid zou beknotten.’
Belcampo leefde uiterst gedisciplineerd. ‘Werkte ‘s ochtends als arts, trok zich tegen één uur terug [om te schrijven], ging daarna een uurtje slapen en had na het avondmaal een vrije avond.’
Daarbij vond de schrijver het belangrijk dat hij niet van zijn pen hoefde te leven: ‘Als men voor de markt schrijft, is men gedwongen concessies te doen’ (in Wim G.J. van Dijk & Belcampo – De eerste Nederlandse tiftie, Amsterdam, 1983).

Zuidwestelijk
Kijkend vanaf het Forum naar het zuidwesten, richting Groninger Museum en station, kruist de blik de Coehoornsingel. Ons gezin ging daar naar de remonstrantse kerk, een bescheiden, uit 1882 daterend gebouw midden in een warme buurt – de dames zaten ’s zondags op de achterste rij – die later ‘gesaneerd’ zou worden met woningen, bedrijfsruimtes en appartementen. Na een ingrijpende kerkverbouwing, waarbij het orgel verdween achter een witte wand, kreeg de Rotterdams-Groningse beeldend kunstenaar Edu Waskowsky van het kerkbestuur de opdracht voor die wand een kunstwerk te maken. Zo hoorde ik voor het eerst van zijn oudere broer Riekus, ook een Rotterdammer, die in 1966 zijn jongere broer Edu was gevolgd naar de Martinistad. Riekus was een intellectueel met eigenzinnige ideeën en voorkeuren. Zo liet hij zich voorstaan op zijn diploma van plaatwerker.



Naast plaatwerken hield Riekus Waskowsky zich ook bezig met vertalen (onder meer werk van Pablo Neruda en Evelyn Waugh) en met dichten. Hij schreef krachtige verzen, die gloedvol begonnen, maar aan het einde soms afdropen richting de uitgang. Het gedicht ‘Panta rhei’ vormt daarop een uitzondering (en sneeuw komt natuurlijk altijd uit de lucht vallen):

Panta rhei

Zoals laatst toen ik had gedroomd
dat ik duizend jaar eerder leefde.

Ik werd heel langzaam wakker en
van ver weg kwamen de stemmen van

Ko van Dijk en Hans Croiset, luid
weerkaatsend door het slot van Mathilde

van Toscane (de plaats heet Canossa),
waarvoor wij 3 dagen hadden gebivakkeerd.

Beneden in de slotkapel celebreerde
Gregorius VII een dankmis.

Moeizaam probeerde ik tot klaarheid
te komen. Waar was ik? Sliep ik nog?

Was mijn ontwaken duizend jaar later
alleen maar een droom?

Naast mijn matras op de stenen vloer
lagen mijn maliënkolder en mijn degen.

Buiten nog steeds de sneeuw.

Uit: Tirade,, jaargang 10

In 1968 won Riekus de Alice van Nahuysprijs voor zijn debuut Tant pis pour le clown. Maar zijn beroemdste werk is ongetwijfeld Slechts de namen der grote drinkers leven voort (De Bezige Bij, 1968).

Zowel in Nederland als daarbuiten heersten gemengde gevoelens over Waskowsky’s gedichten. Zo meende de criticus K.L. Poll dat Waskowsky’s veelvuldig gebruik van citaten alleen diende voor ‘het imponeren van de beduusde burger’ (Algemeen Handelsblad, 25‐5‐1968), en het Spanje van Franco verbood zelfs een gedicht (‘Canto II’) van hem voor opname in een Spaanse bloemlezing van Nederlandse poëzie (ik kon dit gedicht niet boven water krijgen, anders had ik het graag hier geplaatst, RdJ).

Riekus Waskowsky’s betekenis voor de stad Groningen is belangrijk te noemen ondanks het feit dat hij banden bleef onderhouden met het westen: zo was hij onder meer bevriend met Jules Deelder, aan wie hij het gedicht ‘Op de sien’ opdroeg, en met Gerrit Komrij. Daarnaast kampte hij met gezondheidsproblemen die zijn literaire succes in de weg stonden, en daarmee zijn inkomsten.
Broer Edu stierf in 1976 na een slokdarmoperatie die mogelijk verband hield met zijn alcoholconsumptie. Het kunstwerk voor de kerk – een vierkant kruis – was opgeleverd (en ondersteboven opgehangen omdat de kunstenaar dronken was), maar het Joods Monument aan de Hereweg waaraan hij werkte liet hij onvoltooid achter.
Over dat kunstwerk voor de remonstrantse kerk gaat nog het verhaal dat toen het jaren later even van de muur moest wegens onderhoud, de kerk besloot het ondersteboven terug te hangen, ter nagedachtenis aan Edu.

Riekus overleed een jaar later.



Gerrit Komrij herdacht Riekus in zijn NRC‐column als volgt: ‘Hij ontbeerde in hoge mate de misselijke drang zich geliefd te willen maken.’
Kennelijk was dat niet alleen zo bij de ‘gezaghebbende’ kunstcoterieën, maar ook in zijn eigen gelederen. Sandman tekent een uitspraak op van de Groningse dichter en schrijver Henry Hes: ‘Riekus wilde bij een poëziemanifestatie altijd het meeste geld. Hij was immers de belangrijkste man.’
Maar dat werd hem dan ook weer vergeven: ‘Wat er ook over hem gezegd werd, hij was een swingende vogel’.

Noordwestelijk (2)
Ten noordwesten van het Forum ligt het Noorderplantsoen. In die contreien bevindt zich het instituut voor orthopedagiek. In de jaren zeventig liep ik daar college en ik herinner me Wilhelmina Bladergroen, onze energieke hoogleraar, én Han Grüschke, docent psychodrama – een vak dat bij mij de nodige vragen opriep die Grüschke geïrriteerd afwimpelde. Die irritatie had minder met mij te maken dan met de weerstand die Grüschke vanuit het instituut ondervond tegen zijn ‘vergaande’ methodes. Professor Bladergroen kwam in eigen persoon poolshoogte nemen en posteerde zich in haar kenmerkende mantelpak op de grond tussen de deelnemers.



Dat Grüschke zelf ook dichter was, en dus geestverwant, wist ik toen niet. Hij publiceerde bundels in eigen beheer en bij kleine uitgeverijen en in het tijdschrift ‘voor literatuur en kommunikatie’ Yang.

wilde planten

die jaren in ons huis moeder
de deuren zo dicht soms
dat ze alleen maakten
tot jij thuis kwam vader

luisterend naar geluiden buiten
van heksen en reuzen
met onbekende ogen zwijgend door ons raam en het blaffen van een hond

wij werden ouder
de kamers kleiner terwijl we vergaten
toen was er alleen het maanlicht over de muren en de perzikenboom

en tenslotte alleen het praten over vroeger
met wilde grassen tussen de stenen
op het pad

Uit: Alsof ik mijn huis niet herkende (Uitgeverij Holmsterland, 1978)

Hij was ook redacteur van de ‘Nederlandstalige lijn’ van de Friese dichterstelefoon ‘Operaesje Fers’, een telefoonservice die vanaf 1968 ruim 25 jaar heeft bestaan.

Herman Sandman beschrijft in Arcadia der poëten – Het literaire leven in Groningen 1945 – 2005 hoe Grüschke begin jaren zestig eens heel erg ziek werd. ‘Zijn vriendin haalde de studentenarts Belcampo. Eenmaal gearriveerd bleek deze meer belangstelling te hebben voor een schilderijtje dan voor de patiënt. Toen hij nog meer kunstwerken ontdekte, spraken de heren alleen maar over die schilderijen. De dokter besloot het gesprek met: “Zorg maar dat u snel beter bent. Dan kunt u bij mij schilderijen bekijken.” Grüschke deed dat inderdaad en heeft hem later nog een paar keer ontmoet’.

In de jaren negentig opende Grüschke in Deventer een antiquariaat dat zijn naam droeg. Toen ik ooit langs zijn winkel liep, overwoog ik even naar binnen te gaan en onze ‘psychodramatische’ aanvaring gekscherend op te rakelen. Ik deed het niet – van oude koeien en de dingen die voorbijgaan.

Westelijk
Ten westen van het Forum, aan de Lutkenieuwstraat, lag het roemruchte en in 2005 gesloopte Groninger congrescentrum Het Tehuis. In het twintig zalen tellende complex vonden bijeenkomsten plaats van organisaties als COC, PSP en CPN en waren er optredens van popgroepen en –muzikanten van uiteenlopend kaliber.
Ik zat in mijn middelbareschooltijd in de redactie van een gestencild krantje van een muziekvereniging en mocht als razende reporter grootheden interviewen als Boudewijn de Groot en Rikkert Zuiderveld.
Boudewijn de Groot kwam in een Afghaanse bontjas het podium op en riep tegen het publiek ‘bèèèhh’ waarna hij een bandrecorder aanzette en zijn setlist afwerkte.
Rikkert Zuiderveld, een in een socialistisch gezin geboren Groninger die later naar Amsterdam verhuisde, maakte een meer ingetogen entree (mét gitaar).



Hij had in 1967 zijn eerste plaat Achter Glas uitgebracht, een voor die protestjaren zeer poëtisch album, zowel muzikaal als qua tekst:

Overmorgen valt ’t blad
Lieve Mozart draag me wil je
Op je handen, op je handen van muziek in deze zomer
Ik ben de koning van de grote stad
Ik ben de grote koning van de stad
En jullie zijn m’n vrienden

[…]

Ik ben de koning van mijn zee
Lieve Fellini, onze stranden
Met m’n handen, met m’n handen gaan de golven naar m’n wil
Morgen vertrek ik met de vogels mee
Vertrek ik morgen met de vogels mee
En jullie zijn m’n vrienden.

Natuurlijk is kleinkunstenaar Zuiderveld later ook bekend geworden door zijn (evangelisch) repertoire met Elly Nieman. Maar daarachter schuilt een poëet die, hoewel hij op zijn website schrijft dat hij zijn roeping als dichter gemist heeft, in 2015 met het volgende sonnet de top honderd van de Turing‐gedichtenwedstrijd bereikte:

De maaltijd

Ze komen op een avond bij ons eten,
de moeder en haar kinderen. Ze lacht,
ja, uit Aleppo, zegt ze dan, zo zacht
alsof ze het al bijna was vergeten.

De bonen smaken goed, de kip is mals,
we praten, drinken, proosten op het leven.
Ik vraag: waar is je man? Dan maakt ze even
een snelle snijbeweging langs haar hals.

Ze ziet hem lopen langs de rozenhagen,
zijn sterke rug, zijn innerlijke rust
en om hem heen de geur van zomerdagen.

Misschien heeft ze hem nooit vaarwel gekust.
Ik durf het haar gewoonweg niet te vragen;
dan vraag ik maar of ze een toetje lust.

Uit de bloemlezing: Een toon die in de Stilte Zoemt (Van Gennep, 2015)


Omlaag
Wie het Forum verlaat en terugwandelt naar de Grote Markt, kan de gedenksteen op de buitenmuur nauwelijks missen:



Het Scholten(s)huis, bij de bevrijding in 1945 door de Canadezen verwoest, was een zogenaamde Aussenstelle van de SD in Groningen. Hoofdcommandant was de gevreesde Robert Lehnhof. Honderden verzetsstrijders zijn op die plek verhoord en gemarteld en daarna vaak op afgelegen plekken gefusilleerd. Op de plaats van het Scholtenhuis verrees na de oorlog de studentensociëteit Mutua Fides die inmiddels ook is afgebroken en waarvan een nieuwe versie deel uitmaakt van de nieuwbouw rondom het Forum.

Eén van de laatste slachtoffers van Het Scholtenhuis was de Groningse kunstenaar Hendrik Nicolaas Werkman (1882-1945).



Werkman was een graficus uit Sappemeer die begin twintigste eeuw met zijn moeder en broers naar Groningen kwam en daar een drukkerij startte. Al snel maakte hij ook deel uit van een literaire (vrienden)kring die als motto ‘Zum Grössenwahn’ voerde. Er werd gedicht, gelezen en gediscussieerd. Onder andere over de vraag hoe het cultureel ingeslapen Groningen kon worden wakker geschud. Die figuurlijke aardbeving kwam niet meteen. Het duurde meer dan tien jaar voordat de oprichting van de kunstenaarsvereniging ‘De Ploeg’ de culturele grond in Groningen grondig zou omwoelen. ‘De Ploeg’ was geïnspireerd op de Duitse expressionistische kunstenaarsgroep ‘Die Brücke’ met exponenten als Ernst Ludwig Kirchner. Het was een club waarvan iedereen lid kon worden, ongeacht zijn of haar kunstvorm. De bezieling die van de groep uitging was enorm.
Dat elan zorgde tussen 1922 en 1928 voor de ongekende culturele revival in Groningen waarvan de kunstvrienden hadden gedroomd.

Werkman maakte voor de vereniging affiches, uitnodigingen en catalogi. Daarnaast was hij ook auteur: hij schreef experimentele prozastukken en gedichten waarvan enkele in een dadaïstische stijl.



In de oorlog verzorgden Werkman en anderen onder de naam ‘De Blauwe Schuit’ uitgaven die kritiek leverden op het nazibewind. Werkman voorzag de teksten van prachtige kleurrijke ‘druksels’. Uit die tijd stamt ook een van zijn bekendste werken, een dubbele serie van tien afdrukken getiteld: Chassidische legenden I en II naar Martin Buber.

Op 13 maart 1945 vielen SD’ers het atelier van Werkman binnen en arresteerden de kunstenaar. Hij werd naar het Scholtenhuis overgebracht. Toen de Canadezen kort daarop de stad naderden, probeerden de Duitsers hun sporen te wissen, onder andere door korte metten te maken met de laatste gevangenen. Op bevel van de Nederlandse SD’er Peter Schaap – na de oorlog geëxecuteerd – werd Werkman op 10 april 1945 bij Bakkeveen doodgeschoten.

Met de moord op Werkman kwam een einde aan ‘De Blauwe Schuit’, maar niet aan ‘De Ploeg’, die volgens velen, en niet alleen Groningers, tot in de huidige tijd haar invloed doet gelden. Ook de naam van Werkman leeft voort. Hij is postuum een van de bekendste kunstenaars van Groningen geworden.

Voor deze publicatie heb ik rijkelijk en met bronvermelding geput uit Herman Sandmans overzichtswerk Arcadia der Poëten – Het literaire leven in Groningen 1945 – 2005 (Uitgeverij Pasage, 2008). Dat geldt ook voor de andere bronnen waaruit ik heb geciteerd.

(5 november 2021)



© Rogier de Jong