Rogier de Jong, dichter en stadsdichter van Aardenburg
Links
Rechts

Home

Publicaties

Media

Dichter

Stadsdichter

Nieuws


Weblog: Jacob Groot


Blogarchief

> 2022 | 05 | 03
> 2022 | 04 | 01
> 2022 | 03 | 17
> 2022 | 03 | 10
> 2022 | 01 | 21
> 2022 | 01 | 20
> 2021 | 11 | 05
> 2021 | 08 | 25
> 2021 | 08 | 18
> 2021 | 08 | 06
> 2021 | 06 | 20
> 2021 | 03 | 17
> 2021 | 02 | 15
> 2021 | 01 | 27
> 2021 | 01 | 16
> 2021 | 01 | 10
> 2020 | 11 | 19
> 2020 | 08 | 27
> 2020 | 05 | 10
> 2020 | 04 | 19
> 2020 | 04 | 13
> 2020 | 03 | 23
> 2020 | 01 | 22
> 2019 | 08 | 24
> 2019 | 06 | 05
> 2019 | 03 | 24
> 2019 | 02 | 12
> 2019 | 02 | 08
> 2019 | 05 | 02





Claus, Hugo
De Coninck, Herman
Drie favoriete gedichten
Eerbiedskapitaal
Gordeldieren
Guépin, J.P.
Handke, Peter
Hermetische dichtkunst
Illich, Ivan
Leary, Timothy
Literaire herinneringen aan Groningen
Lodeizen, Hans
Memento
Moeyaert, Bart
Moore, Marianne
Nationaal Monument
Nietzsche, Friedrich
Östlund, Ruben
Poëzie en emoties
Poëziekritiek
Poëzieweek 2021
Recensies
Schwartz, Delmore
Spoorwegen
Stadsdichter
Turing Gedichtenwedstrijd 2018
Verhagen, Hans
Von Trier, Lars
Zeeuws‐Vlaanderen

De engel schuilt in het geheel




Leven’s bazaar

Het was zomer, maar
in mijn hart was het najaar –
O, oude stad zonder altaar,
waarin ik ging dwalen –

nu ben ik weg van haar,
een moment zonder haar,
in het gouwen duister
van leven’s bazaar.

Ik zwerf langs de terrassen
in het late licht,
ergens zocht ik haar gezicht,
overal moest het zijn –

want in mijn kamer was haar stem
gekomen, doodmoe gewaaid,
die lang was gebleven, verfomfaaid
ritselend van vreemde pijn.

O, de avond zwierf langs de straten,
ontstak pas laat de lampen in de bar,
want het was zomer,
maar in mijn hart sloeg een donkerend jaar.


Het oeuvre van de dichter Jacob Groot (1947), die in 1970 onder het pseudoniem Jacob der Meistersänger debuteerde met de bundel Net als vroeger, is zonder meer te kwalificeren als een klasse apart. Tegen de modernistische trend in, waarin realisme en zakelijkheid de boventoon voerden, schreef hij neoromantische verzen, weliswaar met een ironische toets, maar toch onmiskenbaar in de geest van de Tachtigers. Zijn inspiratiebronnen waren J.H. Leopold, Johan Andreas dèr Mouw en Herman Gorter, dichters die zich met geestverwanten als Kloos, Van Eeden en Van Deyssel keerden tegen de realistische ‘domineespoëzie’ van voor 1880 en pleitten voor naturalisme en impressionisme, waarin ruimte was voor het beschrijven van de eigen gemoedstoestanden – in die dagen een ongehoorde brutaliteit.

Ook Groots werk zet zich af tegen een realistische stroming, namelijk die van de Zestigers, met haar realisme en ready mades. Je kunt zoiets een reactie noemen, een nostalgisch protest, maar als je de poëtica van Groot tot je laat doordringen, ontmoet je een laat geboren romanticus die zich niets van het modernisme aantrekt, zoals de Groningse kunstschilders Henk Helmantel en Matthijs Röling zich evenmin iets aan het ‘verplichte’ abstractionisme gelegen laten liggen en gewoon hun eigen Minervagang gaan. Kunst en kennersgunst – er gaapt (soms) een kloof tussen.

Toch zijn kunstenaars die zo duidelijk een richting, een stroming omarmen, benijdenswaardig te noemen. Menigeen moet zich door een moeizame ontwikkeling heen worstelen, waarin het uitvinden van het wiel via een hobbelig plakje boomstam naar een iets minder hobbelig plakje boomstam al een hele vordering is.

Gaandeweg werd ook Groots poëzie eenvoudiger en krachtiger, al waren de diverse recensenten daarvan niet altijd even overtuigd: kwalificaties als ‘humbug’ en ‘brooddronken woordkunst’ werden gebezigd. Zo vroeg een mij totaal onbekend iemand zich op een gedichtensite af waarom uitgeverij De Harmonie nog brood ziet in Groot. Uiteraard is dat aan een uitgever zelf om te bepalen en het zou me niet verbazen als de inzender in kwestie werd gedreven door de oer‐Hollandse afkeer van bombast en barok.

Dat gezegd zijnde, moet me van het hart dat ik Uit de diepten (De Harmonie, 1972), de bundel van Jacob Groot waarin het gedicht ‘Leven’s bazaar’ als tweede is opgenomen, helemaal niet bombastisch of barok vind. Toegegeven: de dichter zwemt als een zalm tegen de nuchtere tijdstroom in, maar wel op een consistente manier, zowel qua thematiek als gelet op stijl en poëtica.

De eenendertig gedichten, verdeeld over de drie afdelingen ‘In de dauw’, ‘Elkander’ en ‘In het licht’, zijn samenhangend in hun toonzetting en in hun ‘zweem van idioom’ (waarin wel wat haarspeldbochten zitten). De ironie die sommigen signaleren, wordt enerzijds veroorzaakt door het vervreemdende effect van ouderwetsige poëtica, en anderzijds door (licht) stilistische ingrepen. De auteursfoto op het achterplat versterkt het vervreemdingseffect. Groot neemt hier zowel de pose aan van blonde hippie als van een engelachtige jongeling – het beeld van Tadzio uit de film Tode im Venedig van Visconti doemt op.

‘Leven’s bazaar’ is te lezen als een ouverture, een brede zonsopgang boven het water waarmee de bundel én de voornoemde film openen. De toon wordt gezet – je hóórt het Adagietto uit de Vijfde van Mahler opklinken als de stukken worden geplaatst:


Het was zomer, maar
in mijn hart was het najaar –
O, oude stad zonder altaar,
waarin ik ging dwalen –


In deze eerste strofe maken we kennis met de hoofdpersoon: een dolende ziel. In de zomer welteverstaan, het warme en zonnige jaargetijde, dat van de liefde, al dwarrelen er al herfstbladeren neer. Er is smart, er is behoefte aan troost, en dan biedt de stille afzondering van een kapel of om het even welke bezinningsruimte soelaas. Helaas bevinden we ons in een oude stad zonder altaar, in een goddeloze stad, een onderwereld. En bovendien:


nu ben ik weg van haar,
een moment zonder haar,
in het gouwen duister
van leven’s bazaar.


Ah – het gaat dus om een afscheid, het verlies van een geliefde, of van een stem, wie zal het zeggen. Maar smart biedt ook schoonheid en schoonheid verguldt de duisternis van de pijn. Geen troost, geen verlichting, wel de mooie melancholie van ’t eenzame verdriet. Het leven biedt dit allemaal, want het leven is een bazaar. Dit alles afgezet tegen een typisch neoromantisch decor – Venetië, zou ik zeggen.


Ik zwerf langs de terrassen
in het late licht,
ergens zocht ik haar gezicht,
overal moest het zijn –


In deze derde strofe wordt het zoekmotief geïntroduceerd. De hoofdpersoon speurt naar zijn verdwenen geliefde zoals Orpheus dat deed in de onderwereld. Orpheus mocht in de onderwereld echter niet omkijken om zijn hervonden geliefde niet opnieuw te verliezen. Maar dat loslaten van het verleden is nu juist de grote opgave in tijden van rouw:


want in mijn kamer was haar stem
gekomen, doodmoe gewaaid,
die lang was gebleven, verfomfaaid
ritselend van vreemde pijn.


Even was de verloren geliefde opgedoken, in de herinnering, of in een zinsbegoocheling. Dat was het geschenk van de korte terugkeer, waaraan een wijs mens genoeg zou moeten hebben. Maar wijs wordt niemand geboren, dus gaan we die vermoeide stem, die verloren schoonheid achterna, rusteloos, roekeloos, als professor Von Aschenbach in zijn koortsige Venetiaanse onderwereld (meesterlijk houterig vertolkt door Dirk Bogarde).


O, de avond zwierf langs de straten,
ontstak pas laat de lampen in de bar,
want het was zomer,
maar in mijn hart sloeg een donkerend jaar.


Een (neo)romantische queeste loopt nooit goed af, want onheil en melancholie dicteren het genre. In Tode im Venedig zien we hoe de make‐up van het gezicht van professor Von Aschenbach druipt als hij geveld door de cholera in elkaar zakt bij de dorpspomp en zijn obsessie voor de schone jongeling Tadzio moet opgeven. Tot zover de film, naar het boek van Thomas Mann. Maar ook in het hart van de ik-figuur in Groots ‘Leven’s bazaar’ ‘slaat een donkerend jaar’. Natuurlijk weten we niet hoe dit jaar zal aflopen, want pijn is universeel én particulier, maar we mogen aannemen dat de hoofdpersoon zijn liefde nooit zal terugzien en in eenzaam weedom al of niet sterft.

Na deze vrije exegese van mijn kant wordt het misschien tijd om wat licht te werpen op de tekst van dit vers, om te zien wat er staat, of niet staat. Daarbij doemt meteen de vraag op of een neoromantisch gedicht zich leent voor tekstanalyse. De vorm is immers ondergeschikt aan de vent (m/v), want de vent – de dichter – heeft iets te zeggen in een lamento dat schijnbaar weinig met vorm op heeft. Niet voor niets hanteerde Groot bij zijn debuut het pseudoniem Jacob der Meistersänger: zijn poëzie is geen woord‐ maar liedkunst, hij dicht gezangen en soms elegieën.

En niet toevallig belijdt Groot in zijn essaybundel Nieuwe muziek, een Herman Gorter Boek (Wetenschappelijke Uitgeverij, 1980) zijn credo dat zijn poëzie geen spiegel van de wereld is, maar een wereld ontwerpt of creëert. Want… [ze] geeft geen namen, maar gebruikt hier en daar een ‘zweem van een idioom’. Vent dus, geen vorm (op die zweem na). Want de dichter schept de wereld (lees: poëzie) en de wereld (lees: poëzie) schept niet de dichter.

Niettemin valt er wel iets te zeggen over de vorm. Het gedicht is opgebouwd uit vijf vierregelige strofen met elk twee rijmklanken, kwatrijnen dus, met verschillende rijmschema’s. Opvallend is de herhaling van het woord ‘haar’ in de eerste twee regels van strofe twee, terwijl sommige woorden – ‘terrassen’, ‘duister’, ‘zomer’ – niet worden berijmd. Verder loopt het metrum naar mijn gevoel soms een beetje houterig: sommige zinnen stokken, of eindigen abrupt c.q. lopen syntactisch niet door:


‘O, oude stad zonder altaar,
waarin ik ging dwalen – ⁄ nu ben ik weg van haar


En wat te denken van deze vreemde constructie met het raar geplaatste betrekkelijk voornaamwoordje ‘die’:


want in mijn kamer was haar stem
gekomen, doodmoe gewaaid,
die lang was gebleven, verfomfaaid […]


Waarom niet geschreven:


want in mijn kamer was haar stem
gekomen en lang gebleven,
doodmoe gewaaid,
verfomfaaid […]


En dan het idioom, de poëtica: wat houdt die ‘zweem’ waar Groot over spreekt nu eigenlijk in? Allereerst natuurlijk het gebruik van de stijlfiguur exclamatio: ‘O, oude stad zonder altaar’ (strofe 1) en ‘O, de avond zwierf langs de straten’ (strofe 5). Deze stijlfiguur heeft in onze tijd afgedaan en daardoor een wat humoristische uitwerking, alsof je in een album van Asterix en Obelix een Romein in een boom ziet hangen die mismoedig peinst: ‘O tempora, o mores’.
Diezelfde ironie zie je ook bij het bijvoeglijk naamwoord ‘gouwe’ in regel drie van strofe twee. Het is alsof de dichter beseft dat het woord ‘gouden’ te barok zou zijn en dat een gemoedelijk knipoogje die hoogdravendheid verzacht en zelfs emotioneel laadt. Ik moest denken aan de bundel Duizenden Zonsondergangen van Hans Verhagen die ook in 1972 uitkwam en waarin de dichter ironie ook gebruikt als relativerend middel.
Ten slotte iets over de titel: ‘Leven’s bazaar’, die terugkeert in de laatste regel van strofe 2. Je zou verwachten: ’s Levens bazaar, met ’s als afkorting van het bezittelijk voornaamwoordje ‘des’, en ‘Leven’s’ gespeld zonder apostrof. Dat het voorvoegsel hier wordt weggelaten en de apostrof toegevoegd, heeft iets recalcitrants, alsof de dichter een vinger trekt naar de taalzeloten en spellingsfetisjisten. Maar het kan ook zijn dat de sisklank voor ‘Leven’s’ niet muzikaal genoeg is.

Eveneens wijdt Groot in zijn essaybundel een flinke – en essentiële – passage aan de driedelige serie Liedjes, bundels die Herman Gorter in 1919 in eigen beheer uitbracht, zo’n drie jaar na het verschijnen van zijn epische werk Pan. Dat de gedichten in Liedjes gaan over Gorters blik op het socialisme is hier van ondergeschikt belang. Boeiend is de poëzieopvatting die Groot eruit destilleert en toepast op zijn eigen poëtica. Wie wil weten waarom Groot dicht zoals hij dicht, vindt hier het antwoord: ‘Liedjes is voor het eerst in Gorters werk een uitgesproken voorbeeld van de expressieve categorie poëzie die niet vertelt maar laat zien. […] In Gorters werk vormt ze de laatste fase in de ontwikkeling van de ontwerpende functie van het verwijzende, symboliserende karakter van poëzie. Hij […] was poëzie gaan maken die op de ultieme manier van muziek het ultieme uitdrukt’ (pag. 76 en 80).

Mijn conclusie is dat Gorters Liedjes er niet zijn om te analyseren maar om te bekijken en te beluisteren. En dat geldt ook voor Groots poëzie. Dit zijn geen gedichten die je door de loep van close reading bekijkt op zoek naar verborgen ingrediënten. Het zijn gezangen die je in hun geheel tot je moet nemen, omdat ze ‘op de ultieme manier van muziek het ultieme willen uitdrukken’. Of dat gelukt is, valt buiten het bestek van deze Klassieker. Maar één ding is duidelijk: bij Jacob Groot zit de duivel niet in de details aangezien de engel in het geheel schuilt.

(27 mei 2022)
_______________________________________

Verantwoording:

  • Omslagontwerp: © Leendert Stofbergen, Amsterdam
  • Foto voorzijde omslag: © Aart Klein, Amsterdam
  • Auteursfoto Jacob Groot: © Jack Jacobs, Amsterdam

(27 mei 2022)



© Rogier de Jong