Rogier de Jong, dichter en stadsdichter van Aardenburg
Links
Rechts

Home

Publicaties

Media

Dichter

Stadsdichter

Nieuws


Weblog: Drie favoriete gedichten


Blogarchief

> 2022 | 04 | 01
> 2022 | 03 | 17
> 2022 | 03 | 10
> 2022 | 01 | 21
> 2022 | 01 | 20
> 2021 | 11 | 05
> 2021 | 08 | 25
> 2021 | 08 | 18
> 2021 | 08 | 06
> 2021 | 06 | 20
> 2021 | 03 | 17
> 2021 | 02 | 15
> 2021 | 01 | 27
> 2021 | 01 | 16
> 2021 | 01 | 10
> 2020 | 11 | 19
> 2020 | 08 | 27
> 2020 | 05 | 10
> 2020 | 04 | 19
> 2020 | 04 | 13
> 2020 | 03 | 23
> 2020 | 01 | 22
> 2019 | 08 | 24
> 2019 | 06 | 05
> 2019 | 03 | 24
> 2019 | 02 | 12
> 2019 | 02 | 08
> 2019 | 05 | 02





Claus, Hugo
De Coninck, Herman
Drie favoriete gedichten
Eerbiedskapitaal
Gordeldieren
Guépin, J.P.
Handke, Peter
Hermetische dichtkunst
Illich, Ivan
Leary, Timothy
Literaire herinneringen aan Groningen
Lodeizen, Hans
Memento
Moeyaert, Bart
Moore, Marianne
Nationaal Monument
Nietzsche, Friedrich
Östlund, Ruben
Poëzie en emoties
Poëzieweek 2021
Recensies
Schwartz, Delmore
Spoorwegen
Stadsdichter
Turing Gedichtenwedstrijd 2018
Verhagen, Hans
Von Trier, Lars
Zeeuws‐Vlaanderen

Drie favoriete gedichten




‘Wat zijn jouw drie lievelingsgedichten?’ Een alleszins redelijke vraag.

Het antwoord daarop kan echter alleen maar onredelijk zijn. Bijna alle poëzie heeft wel iets goeds, anders is het geen poëzie, en daaruit kiezen is een oefening in verliezen. Bovendien is zo’n keuze een momentopname, afhankelijk van het been waarmee je uit bed gestapt bent, van het weer, de toestand in de wereld en weet ik wat niet al.
Maar goed. Drie favoriete gedichten dus, uit de zee van poëzie die je niet leeg kunt drinken, al zou je het willen.

Gedicht nummer één komt uit de bundel Nachtboot van Maria Barnas. Ik vind het een mooie bundel, niet alleen omdat er geen opgelegde poëtische taal in voorkomt, maar ook omdat de beelden erin – Barnas is ook beeldend kunstenaar – dramatiserend genoeg zijn. Dit is beeldende poëzie pur sang, zonder toeters en bellen, maar voortreffelijk in haar persoonlijke taalkracht waarin de vergankelijkheid voorbijglijdt als een schip in de nacht langs de witte krijtkliffen van Dover. Je kunt niet terugkeren naar het albasten land van je jeugd en daarom wil je ook niet terug, behalve in de taal die rotsen en nachtboot verbindt. Je kunt ook niet terug naar het verleden, behalve als het opspeelt in het heden, en zelfs als het een verleden is dat tweedehands is, dat je hebt geërfd van een vorige generatie:


Het is oorlog (I)

Het is oorlog in mijn hoofd en het is oorlog
in de keuken waar mijn kinderen niet lusten

wat ik voor ze kook. Zij weten zich niet
te wapenen tegen de vaders die in mij

opstaan met hongerwinter in de keel.
Ik weet niet tegen wie ik vecht

wanneer ik klinkers over tafel sla en een vol
bord op de tegels smijt.

Zeggen dat vernietiging iets kan
bewaken. Zien dat hier iets uit ontstaat.


Het tweede gedicht is van Hans Verhagen (1939-2020). Deze zoon van een Vlissingse notaris, tevens bestuurslid van de Vrijzinnig Hervormde Kerk, leed naar eigen zeggen in zijn jeugd – al of niet met zijn hoofd in cannabiswolken – aan een messiaswaan, kwam later in aanraking met gnostiek, hindoeïsme en zenboeddhisme en was daarmee voor mij als middelbare scholier de atypische hippie die nog bleek te kunnen dichten ook. Na een eerste bekering tot de Nieuwe Zakelijkheid (Rozen & Motoren, 1963) volgde in 1971 het weelderige Duizenden Zonsondergangen (De Bezige Bij, 1971) waarin de aan zee opgegroeide Zeeuw de tegenstellingen in zichzelf op een spirituele manier probeerde te overbruggen en daarmee in lyrische sferen terechtkwam – een pure stijlbreuk met zijn vorige bundel.


Tegen alle bloedvergieten en kanariepieten in
voltrekt zich mijn roeping:
ik die bouwen zou, zal ontbonden worden.

Verbonden met voeten verslaafd aan vergaan
moet ik leren stilstaan, ik,
die het maken moet, moet zelf gemaakt worden.

Ik ontsluit de moeder aller mensen,
ze verzegelt m’n lippen met suiker,
ik die allen wilde samenroepen luister.


Mijn derde favoriet komt van de nestor van de verhalende poëzie Rutger Kopland. Deze dichtende psychiater, die eigenlijk Rutger Hendrik van den Hoofdakker heette, vergaarde in 1966 in één klap eeuwige roem met zijn debuut Onder het vee. Ik heb lang getwijfeld of ik Een psalm uit Onder het vee of De God in mijn hersenen (Poetry International, 2004) zou kiezen, maar ik maakte mijn keus – met de bekende desastreuze gevolgen.


De god in mijn hersenen

Toen ik al bijna ontwaakt was herinnerde ik mij
dat ik die nacht in het verleden had geleefd
en zonder de geringste verbazing weer
geloofd had dat God bestond

ik wilde hem eindelijk wel eens spreken
het is een bijzonder aardige man zei iemand
je kunt hem gerust eens bellen
ik belde en er klonk een stem, een heel lieve stem
zodat ik mij een lieve gevleugelde vrouw voorstelde
zoals je wel ziet op felicitatiekaarten

wilt u god, werd er gezegd, toets dan één
wilt u god niet, toets dan niet
ik toetste één

en dezelfde gevleugelde vrouw zei: er is nog
één wachtende voor u en die ene bent u

ik herinnerde mij dat ik hier eindeloos over
moest nadenken tot ik ontwaakte en God weer
was verdwenen, ergens in mijn hersenen

Fotoverantwoording:

  • Maria Barnas: © writersunlimited.nl en Van Oorschot
  • Hans Verhagen: Het goudkleurige schrijversportret is van © Wim van der Linden. Het omslag is naar een schilderij van Caspar David Friedrich - ‘Kreuz an der Ostsee’, 1808), met toestemming van het Kölnisches Stadtmuseum (aldus het colofon in de bundel)
  • Rutger Kopland: © nrc.nl

(17 maart 2022)



© Rogier de Jong