Rogier de Jong, dichter en stadsdichter van Aardenburg
Links
Rechts

Home

Publicaties

Media

Dichter

Stadsdichter

Nieuws


Weblog: Erik Menkveld


Blogarchief

> 2022 | 07 | 11
> 2022 | 07 | 06
> 2022 | 05 | 27
> 2022 | 05 | 03
> 2022 | 04 | 01
> 2022 | 03 | 17
> 2022 | 03 | 10
> 2022 | 01 | 21
> 2022 | 01 | 20
> 2021 | 11 | 05
> 2021 | 08 | 25
> 2021 | 08 | 18
> 2021 | 08 | 06
> 2021 | 06 | 20
> 2021 | 03 | 17
> 2021 | 02 | 15
> 2021 | 01 | 27
> 2021 | 01 | 16
> 2021 | 01 | 10
> 2020 | 11 | 19
> 2020 | 08 | 27
> 2020 | 05 | 10
> 2020 | 04 | 19
> 2020 | 04 | 13
> 2020 | 03 | 23
> 2020 | 01 | 22
> 2019 | 08 | 24
> 2019 | 06 | 05
> 2019 | 03 | 24
> 2019 | 02 | 12
> 2019 | 02 | 08
> 2019 | 05 | 02




Campert, Remco
Claus, Hugo
De Coninck, Herman
Drie favoriete gedichten
Eerbiedskapitaal
Gordeldieren
Groot, Jacob
Guépin, J.P.
Handke, Peter
Hermetische dichtkunst
Illich, Ivan
Leary, Timothy
Literaire herinneringen aan Groningen
Lodeizen, Hans
Lorca, Federico García
Memento
Moeyaert, Bart
Moore, Marianne
Nationaal Monument
Nietzsche, Friedrich
Östlund, Ruben
Poëzie en emoties
Poëziekritiek
Poëzieweek 2021
Recensies
Schwartz, Delmore
Spoorwegen
Stadsdichter
Turing Gedichtenwedstrijd 2018
Verhagen, Hans
Von Trier, Lars
Zeeuws‐Vlaanderen

Aan de mast




Aan de mast

Wat is er zo gevaarlijk
aan dit bovenmaatse zingen?

Haal de was maar uit jullie oren.
Wend de steven. Maak me los.

De kust is veilig: moet je
de eeuwen er zien bloeien,

al hun ongekende ogenblikken
zich zien openen, elkaar

doorvloeien. Waarom storten
we ons niet die wemeling in?

Wat in godsnaam bindt ons aan dit
ene, verbeten op huis aan roeien?

Alle avonturen tegelijk beleven
kunnen we, maar jullie houden

koers en de zang wordt al
ijler, de kleuren vergloeien...

Uit: ‘Schapen nu!’ (2001) Uitgeverij: De Bezige Bij.


Erik Menkveld (1959-2014) is een van die dichters die om de een of andere reden niet in het collectieve geheugen zijn achtergebleven. Jammer en zeer onterecht, want aan de kwaliteit van zijn werk kan het niet liggen. Zijn eerste bundel, ‘De Karpersimulator’, werd in 1997 bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt- en de C. Buddingh’-prijs, terwijl de opvolgers ‘Schapen nu!’ (2001) en ‘Primetime’ (2005) ook positief werden ontvangen – zij het met afnemend applaus. Zo karakteriseerde Rogi Wieg Menkveld als een ‘terloopse’ en ‘niet spectaculair’ dichtende dichter, terwijl Menno Schenke hem een ‘scherpslijper’ noemde en Piet Gerbrandy naar aanleiding van ‘Schapen nu!’ noteerde dat Menkveld gedreven werd door de drang ‘de leukste thuis te willen zijn’.

Deze terzijdes nemen niet weg dat Erik Menkveld, scherpslijper of niet, een puntig observator was, die op heldere wijze oude dingen in een nieuw daglicht kon stellen (aldus Thomas van den Bergh). En is dat niet precies wat we van poëzie mogen verwachten?

Het bovenstaande gedicht – Aan de mast – is scherp maar niet meteen helder, omdat het een allegorie is. Aan de hand van het sirenenmotief uit de Odyssee illustreert Menkveld een onderliggend verhaal. Je moet als exegeet terug naar de biografie van de dichter om dat verhaal te begrijpen.

Uit Menkvelds cv blijkt allereerst dat hij geen buitenstaander in het literaire wereldje was. Hij werkte als redacteur bij twee grote uitgeverijen, was programmamaker bij Poetry International, bekleedde het redacteurschap van het literaire tijdschrift ‘Tirade’ en recenseerde voor ‘De Volkskrant’. Daarnaast was hij docent aan de Schrijversvakschool Amsterdam.

Menkveld had naast zijn liefde voor poëzie veel belangstelling voor muziek, die hij, hoewel hij het notenschrift nooit goed leerde, bleef koesteren en liet terugkeren in zijn gedichten, waarin ritme en klank de toon aangeven. Zijn vers Dat groeit maar werd door Micha Hamel op muziek gezet en in 2010 door het Nederlands Kamerkoor uitgevoerd.
Ook in het proza van Menkveld klinkt muziek door. Zijn romandebuut Het grote zwijgen (2011) voert de componisten Matthijs Vermeulen en Alphons Diepenbrock op. Het boek werd bekroond met de Academica Literatuurprijs en diverse keren herdrukt. Op Menkvelds Wikipedia-pagina lezen we dat Cees Nooteboom ontroerd was door de roman ‘en dat gebeurt me niet vaak bij boeken’.

Niet vreemd dus dat in het gedicht Aan de mast klank een belangrijke rol speelt. Er zijn a‐klanken, oe‐klanken, e‐klanken en i‐klanken. Marjoleine de Vos vroeg de dichter of de oe‐klanken in woorden als ‘doorvloeien’, ‘gloeien’ en ‘roeien’ het gedicht bij elkaar houden, waarop Menkveld antwoordde dat klank – bij hem – ook onbewust kan ontstaan, maar een gedicht wel degelijk ruggengraat geeft (in ‘Dichtersgesprekken’, 2005). De distichons waaruit het gedicht opgebouwd is – op zichzelf staande strofen van twee regels, traditioneel in de vorm van een puntdicht – vormen door hun klank en metrische accenten inderdaad een soort skelet, waarbij de enjambementen de puntigheid van de distichons weer enigszins afzwakken.

Over naar de inhoud. Hoe kan het gedicht Aan de mast worden geïnterpreteerd? Eerst de allegorie: Odysseus, oorlogsveteraan, keert terug van Troje naar huis en vaart onderweg langs een rots met beeldschone zangeressen. Deze Sirenen proberen zeelieden te verleiden en hun schip op de klippen te laten lopen om ze te vermoorden. Uit voorzorg heeft Odysseus’ bemanning haar oren dichtgestopt met was, terwijl Odysseus, die het gezang wilde horen, zich aan de mast liet vastbinden. De (zedelijke) uitleg die ik altijd aan dit verhaal heb gegeven, is dat je je moet wapenen tegen verleiding, om je huwelijksbootje te redden. Odysseus was op weg naar huis. Naar zijn vrouw. De Sirenen probeerden hem weg te lokken van die koers, van trouw aan zijn vrouw, gezin en vaderland.

Wat er bij Menkveld ook zoiets aan de hand? Waardoor wilde hij zich niet laten verleiden? De bekoring van de muziek? De angst zich te laten gaan, overspoeld te worden door zijn gevoelens?

Ik moest denken aan Thomas Mann, naast schrijver ook violist. Mann zou een afkeer hebben gehad van muziek omdat die hem verleidde tot ‘diepe romantische gevoelens’ – emoties die hij als schrijver (en beschaafd mens) niet toe wilde laten en ze in plaats daarvan sublimeerde.

Het is heel goed denkbaar dat Menkveld in Aan de mast iets dergelijks onderzoekt. Waarom schrikte muziek hem af? Hoezo was het een sirenenwerktuig? Onthullend aan het gedicht is de manier waarop Menkveld die vraag probeert te beantwoorden: niet freudiaans maar cognitief, als een kennisprobleem.


Wat is er zo gevaarlijk
aan dit bovenmaatse zingen?


Inderdaad: waarvoor ben ik eigenlijk bang? Let op het adjectief ‘bovenmaats’: ritme en matigheid (regelmaat) overstijgend. Overweldigd te worden door iets wat niet met de ratio kan worden bedwongen. Mooi niet dus: het besluit volgt zich niet te laten kisten.


Haal de was maar uit jullie oren.
Wend de steven. Maak me los.


Zo is dat. Daadkracht! Recht op het gevaar af! Kijk het monster recht in zijn muil! En de dichter heeft er een argument bij:


De kust is veilig: moet je
de eeuwen er zien bloeien,

al hun ongekende ogenblikken
zich zien openen, elkaar

doorvloeien. Waarom storten
we ons niet die wemeling in?


In deze drie prachtige sleutelstrofen probeert de dichter zijn angst te plaatsen in een historisch kader: je bent de enige niet, je maakt deel uit van een traditie, van het mechaniek van de tijd, dus stort je erin, man, en blijf niet als een watje aan de kant staan. Immers: wemeling, vrijheid en chaos leiden tot creativiteit – het jachtterrein van de dichter.


Wat in godsnaam bindt ons aan dit
ene, verbeten op huis aan roeien?


Ja, wat bindt ons aan thuis – aan de regelmaat van huisgezin en echtelijke plichtpleging? En zo komen we bij de kern van het gedicht die toch nog vrij slordig voor de goede verstaander is verstopt: waarom storten we ons niet in de wemeling van het leven? Wat let ons? En waarom binden we onszelf vast aan de mast als we tegelijkertijd wél willen weten wat er speelt, wat er omgaat?


Alle avonturen tegelijk beleven
kunnen we, maar jullie houden

koers en de zang wordt al
ijler, de kleuren vergloeien...


Het lijkt erop dat Menkvelds scheepsmakkers zijn manhaftige koerswending niet delen. Angst en fatsoen heten ze en de doofheid van verstopte oren bepalen hún route. Geen wonder dat de zang zal verijlen – de verleiding neemt af – en ‘de kleuren vergloeien’ (vervloeien). Zo wint de zelfbeheersing het van het verlangen, ook bij deze Odysseus uiteindelijk.

Dat is de boodschap waarmee we als lezers naar huis worden gestuurd. Verleg je grenzen, als dat je dat kunt. En kun je dat niet, zie dat dan niet als een nederlaag, maar als een overwinning van je zelfkennis. Ik had Menkveld er graag naar gevraagd. In plaats daarvan kan ik dit fraaie gedicht namens hem laten spreken, in de hoop dat zijn ster weer opgloeit aan de literaire nachtkoepel.
_______________________________________

Bronnen: Wikipedia en ‘Gedichten schrijven’ (Chrétien Breukers, 2008).
Foto: © youtube.com

(10 oktober 2022)



© Rogier de Jong